Hoe pak je na vijf jaar oorlog de draad van het gewone leven weer op? Hoe ga je om met landgenoten die fout waren, of juist met mensen die zeggen dat ze in het verzet zaten? Uit de archieven die nu openbaar worden, stijgt de geur van wantrouwen op. Tegelijkertijd klinkt er een ander verlangen: de drang om opnieuw te beginnen, om eindelijk te bouwen aan “een nieuw leven”.

foto kapelaan Van Hooff (identificatienummer 1775-000432-036)
De zeventienjarige Pieter Kalkman tekent in 1942 voor de Waffen-SS. Niet uit overtuiging, zegt hij, maar uit wanhoop. Zijn vader zit zonder werk, en Pieter wil zijn ouders niet langer tot last zijn. “Zij zijn goed,” staat in zijn dossier uit het archief Gevangenissen in Breda, 1815–1975.
Wat volgt, is het verhaal van een naïeve jongen die met bravoure en jeugdig onbezonnenheid een keuze maakt die zijn leven zal tekenen. Aan het Oostfront bevriezen zijn voeten, hij keert ziek en uitgeput terug, deserteert, wordt weer opgepakt, vlucht opnieuw. Een eindeloze cirkel van angst en overleven. Tot het finaal misgaat. Wanneer twee agenten hem aanhouden, vreest Pieter dat hij opnieuw aan de Duitsers zal worden uitgeleverd. In paniek trekt hij zijn wapen. Beide politiemannen raken dodelijk gewond.
SS’er is ‘beleefd en werkt hard’
En nu, vier jaar na de bevrijding, zit de twintiger in de gevangenis. Hij heeft spijt van zijn daden, zegt hij, en snakt naar ‘een nieuw leven’. “Kalkman is een rustige, kalme jongeman. Zijn gedrag laat niets te wensen over. Hij is beleefd en werkt hard,” noteert de directie van de gevangenis. Het beeld van de geharde SS’er die twee agenten neerschoot, lijkt moeilijk te rijmen met deze nieuwe werkelijkheid.
Alsof menigeen opnieuw balans moet zien te vinden in deze vredestijd. Neem Offermans, voormalig burgemeester van Heesch. Tijdens de oorlog probeerde hij zich overeind te houden door de Duitse bevelen te volgen binnen de grenzen van wat de Nederlandse overheid toestond. Nu, jaren later, zet hij zich in voor de belangen van particulieren.
In verzet of toch niet?
Zoals die van de jonge J. Groeneveld, onmisbaar in het familiebedrijf. Omdat zijn vader is overleden, vraagt Offermans namens diens moeder vrijstelling van de dienstplicht. De aanvraag wordt afgewezen, ondanks het feit dat zijn vader in het verzet zat, aldus de moeder.
“Na een ingesteld onderzoek of de vader van de dienstplichtige werkzaam is geweest in het verzet, berichten wij U dat van enig werkzaam aandeel niets is gebleken. De weduwe Groeneveld moet zich hierin dan ook vergist hebben.”
De bevrijding in mei 1945 bracht het einde van de bezetting, maar niet van de verdeeldheid. Wie is dader, wie slachtoffer, wie held? En wie vertelt het ware verhaal, en hoe past dat in ‘een nieuw leven’? Voor Pieter Kalkman lijkt het tij voorzichtig te keren. “Hoewel hij een ernstig feit beging,” schrijft selecteur Beijerinck van de Bijzondere Raad van Cassatie, “waren er omstandigheden die zijn daad begrijpelijk maken, al verontschuldigen ze haar niet. Deze jonge man verdient een kans om te bewijzen dat hij wil werken en zich wil bekwamen als mijnwerker.”
Maar of de echtgenoot van weduwe Groeneveld daadwerkelijk in het verzet heeft gezeten, of niet; dat blijft onduidelijk. Nederland probeert na jaren van oorlog weer op te staan. Vergeven en oordelen lopen daarbij door elkaar, zo laten deze archieven zien.
Bron:
- Offermans: T 7594 I: 160 254
- Gevangenissen Breda: T 055 I 469
De tekst van dit artikel is gepubliceerd onder een CC BY-SA 4.0-licentie. Voor de illustraties geldt de licentie die in het bijschrift is vermeld.
