We gaan terug naar rond 1775 en buigen ons over de vraag wie de eigenaar is van twee houtdammen beplant met knotwilgen in Lith. De dammen grenzen aan een openbare weg die in de volksmond 'de Dam' wordt genoemd. Tegenover deze houtdammen ligt een boomgaard genaamd de Narrenwerff. Deze boomgaard kwam op 14 februari 1738 via een erfmangeling in het bezit van Johan van der Meulen, de gemeentesecretaris van Lith. Oud-rechterlijke aktes onthullen een hoogoplopende ruzie tussen de erfgenamen van Van der Meulen en de gemeentebestuurders van Lith. De vete werd uiteindelijk beslecht door de rechtbank in Den Haag.

Johan van der Meulen (1694) was de onwettige zoon van Johan senior (secretaris en schepen te ’s-Hertogenbosch) en diens huishoudster Margaretha Wijnen. Na de dood van senior in 1706 trouwde Margaretha met de voogd van de kinderen, notaris Willem Mans. Dankzij een legitimatiebrief werden Johan en zijn zus Maria-Hester officiële erfgenamen van een aanzienlijk fortuin, bestaande uit kapitalen, obligaties en onroerend goed.
Johan junior trouwde in 1723 met Catherina Waghtendonk. Zij is geboren op 19 januari 1697 te Berlicum. Na de geboorte van hun eerste kind Wilhelmina Henrietta in 1725 verhuisde het paar naar Lith, waar nog vier kinderen werden geboren. Johan diende tot zijn dood in 1772 als secretaris van de heerlijkheid Groot-Lith. Zijn vrouw Catherina overleed drie jaar later, eind 1775.
De aanleiding
Het conflict begon in oktober 1772, kort na het overlijden van de secretaris. Een doorgebroken dijk moest worden hersteld. Burgemeester Hendrikus van Linden gaf aannemer Dirk van Uden opdracht om de wilgen op de twee houtdammen tegenover de Narrenwerff te knotten voor het herstelwerk.
Toen Van Uden begon, kwamen twee dochters van de weduwe Catherina van Wagtendonck woedend op hem af. Zij snauwden hem toe dat de dammen hun eigendom waren en dat het werk direct moest stoppen: als de gemeente hout tekortkwam, moesten ze dat maar eerlijk kopen. Van Uden staakte het werk en zocht de schepenen op, die op dat moment vergaderden in het huis van Anton van Linden. De schepenen gaven opdracht om de volgende dag tóch te gaan knotten. Om de gemoederen (en de werklui) te sussen, kwam de burgemeester die volgende dag langs met een kan jenever, die gretig werd geleegd.
Weduwe Catherina pikte dit niet. Op 4 november 1773 machtigde zij advocaat Matthijs Hendrik van Son om namens haar een proces aan te spannen bij het Leenhof van Brabant tegen de drossaard, dijkgraaf en burgemeester van Groot-Lith.
Getuigenverklaringen
Er volgde een stroom aan getuigenverklaringen voor de schepenbank van Lithoijen. Prominente figuren, zoals oud-drossaard Johan Woerdenhage en oud-burgemeester Johan van Nouhuijs (70), verklaarden onder ede dat de eigenaar van de Narrenwerff altijd de aangrenzende straat moest onderhouden. Wijlen secretaris Van der Meulen had de wilgen op de dammen decennialang om de vier à vijf jaar laten knotten. Dat de dammen niet door heggen van de straat waren gescheiden, was volgens hen irrelevant; dat was bij veel particuliere gronden in Lith het geval. Twee voormalige knechten van Van der Meulen bevestigden dat zij de wilgen in 1765 nog probleemloos in opdracht van hun baas hadden geknot.
[Voor de originele documenten bij bovenstaande verklaringen, zie Schepenbank Lithoijen, 7324.63, pp 007-010, pp 017-020, pp 021-024, pp 030- 032, pp 035-039]
Toen weduwe Catherina in december 1775 overleed, zetten haar kinderen de juridische strijd onverminderd voort. Er doken nieuwe, schimmige details op. Getuige Jan Peters de Rijt verklaarde in 1776 dat hij in 1772 door het gemeentebestuur naar het huis van burgemeester Gerrit van Grinsven was ontboden. Daar moest hij een document ondertekenen. In de veronderstelling dat het papier het eigendom van Van der Meulen bevestigde, tekende hij te goeder trouw. Pas bij herlezing ontdekte hij dat er stond dat de dammen van de gemeente waren. De Rijt trok zijn eerdere handtekening nu woedend en officieel in. Oud-schepen Johan Pael (78) steunde de familie eveneens en verklaarde dat hij niet beter wist dan dat de dammen bij de Narrenwerff hoorden.
[Voor de originele documenten bij deze verklaringen, zie Schepenbank Lithoijen, 7324.63, pp 0895-089, pp 092-095, pp 096-099]
Het vonnis
Op 20 december 1779 deed de Raad en Leenhove van Brabant te ’s-Gravenhage eindelijk uitspraak. Het mocht de erfgenamen niet baten; de Haagse rechters stelden de drossaard en burgemeesters van Lith in het gelijk.
Hiermee komt een einde aan de twist rondom het bezit van de houtwallen bij de Narrenwerff. Het vonnis luidt als volgt:
In der zaake hangende voor den Raede en Leenhove van Braband en Landen van Overmaze, tuschen Godfried Johan van der Meulen, predicant te Moergestel, Johanna Marareta van der Meulen, Maria Godefrida van der Meulen, Amelia Maria van der Meulen en Maria Hester van der Meulen, te samen meerderjarige kinderen en erfgenamen van wijlen Catharina van Wagtendonk, weduwe en boedelhoudster van wijlen Johan van der Meulen, in leven secretaris der Heerlijkheid Groot Lith en alzo aangenomen hebbende de arrementen van de processe gevoerd geweest bij wijlen haren voornoemde moeder Catharina van Wagtendonk in hare voorgenoemde qualiteit als impetrante van mandament en aldus nu impetranten in het voorgenoemde cas mitsgaders gerequireerdens bij requeste civil met committimus aan dezen Rade geintereneert
ter eenre,
En drossaard en dijkgraaf, mitsgaders borgermeesteren der gemelde Heerlijkheid Groot Lith, gedaagdens en requiranten in het voorgenoemde respective cas,
ter andere zijde
De Raad gezien de stucken, acten en manementen hen in de onder geliberreerden inventaris overgelegt, en voorts met rijpen deliberatie van Raede doorgezien en overwogen hebbende al het gene ter materie dienende was, en in dezen heeft kunnen ofte mogen moveeren, doende Regt, ontzegt de impetranten hunnen eijsch en concluderen op en jegens de gedaagdens gedaan en genomen en compenseert de costen van deezen processe om reedenen den Raede daar toe moverende.
Aldus gedaan in ’s-Gravenhage bij de Heeren Willem van Laer, Carel Verdun, Frederik Willem Chion, Nicolaas Jacob Butenx, Antonij Jan Rijgerbos, Nicolaas Willem Hartman, Paulus Philippus Henricus de Dompieres de Joncqueres, Antonij Gerard Drijfhout en Daniel Jan Steijn Parvé. Raden in de gemelde Rade dezen 20 december 1779.
De tekst van dit artikel is gepubliceerd onder een CC BY-SA 4.0-licentie. Voor de illustraties geldt de licentie die in het bijschrift is vermeld.

