De blaker (met kaars) en het olielampje waren de voorlopers in verlichting tot de katoenpit voortaan gevoed werd met petroleum. Voor deze brandstof kon je in Uden terecht op de Hoevenseweg bij de Essopomp ‘De Automaat’, beheerd door H. de Wit.

Hein en later Jan bezochten de afgelegen onverharde buurtschappen op hun met paard bespannen oliekar. Vader maakte naast grote karrenwielen ook kleinere raai voor de winkel- en hondenkar. In het kasboek vond ik voor H. de Wit de volgende aantekeningen: “November 1930 t.n.v. Rotterdamse Oliemaatschappij ‘De Automaat,’ buurtschap Oude Kerk een paar wielen fl. 48,00. Mei 1933 een paar raai 1,34 hoog 7½ cm breed fl. 40,00. November 1937 Automaat Depôt Hoevenseweg twee eiken burries 2,40 meter lang.”
Ik sprak Jans zoon, Peter. Hij bezat foto’s van zijn vader in uniform en stripverhalen. De tankwagen van depot Arnhem vulde de ondergrondse tanks. Vandaaruit werd de petroleum tot de zestiger jaren handmatig opgepompt voor het vullen van jerrycans.
Jan de Wit in het uniform van De Automaat. Foto: © Peter de Wit.

Hein de Wit rijdt de petroleumkar vol olieblikken binnen (foto genomen vanuit de dakkapel). © Peter de Wit.
Het aan de man brengen van brandstof gebeurde vooral in het ongeëlektrificeerde buitengebied en tijdens de oorlog, toen de stroom op rantsoen was gesteld. Mevrouw Jo Geurts legde in 1947 op onderstaande foto een moment vast bij de juist verharde Maasstraat. De wagen was inmiddels voorzien van rubberen luchtbanden en werd getrokken door een schimmel met oogkleppen.

Foto: Jo Geurts, 1947.
Jan de Wit leverde in plaats van de 4-liter blikken na de oorlog afsluitbare 20-liter jerrycans, die in groten getale in 1944 door de Engelsen en de Amerikanen waren achtergelaten.
Peter vertelde over vader zaliger. Het verhaaltje voor het slapen gaan werd niet besloten met “de olifant met de lange snuit”, maar met het rijmpje: “hoe ’t verder Pijpje Drop vergaat, staat in de volgende Automaat.” Pijpje Drop was een zwart mannetje en een van de eerste reclame-stripfiguren van P. Koenen.

“De Automaat” stond op pet en kar te lezen. Ieder die een maatje olie kocht, kreeg een gratis krantje dat naast reclame ook een stripverhaaltje bevatte. Om het vervolgverhaal bij te houden was het zaak wekelijks het vierkante olieblik te laten vullen voor lamp en petroleumstelletje. Dat laatste was in veel gezinnen aanwezig voor het sudderen van de geslachte kip of het stoofvlees op zaterdag voor de heerlijke bouillonsoep van zondag.
Bij ons thuis ontbrak zo’n kooktoestel: vader zag liever het houtfornuis gebruikt, gestookt met afvalhout uit het werkhuis. Zelfs na aanschaf van het gaskomfoor op flessen butaan, met het voordeel van geen beroete pannen meer. Maar daardoor misten we op het schoolplein naast Flipje Tiel wél het populaire stripverhaal...

Het verkooppunt aan de andere kant van het dorp kan ik me nog levendig herinneren. Lopend passeerden we de locatie voor schoenreparatie naar Kees Schouwenaars 100 meter verderop. De oliekar was in een gele kleur, die van Caltex in een rode tint.
De benaming bromòllie is waarschijnlijk afgeleid van het brommend geluid van de brandende vlam, of anders een onjuiste uitleg van “bronolie”. Mandos Brabants Spreekwoordenboek bevat de tekening van een oliekarretje en het gezegde: ‘zo doortrokken als de Boekelse oliekar,’ zo vol luchtjes.



