Het is inmiddels tachtig jaar geleden dat het kleine Westerhoven werd bevrijd. Een kleine verkenningseenheid van de Britse Household Cavalry rijdt met een jeep door de Dorpstraat. Ze stoppen voor het huis van mijn ouders. Ze zijn op zoek naar zowel onderdak, als een tijdelijke commandopost.

De reden dat ze bij het huis van mijn ouders stoppen, is de hulproep van mijn oom Kees. In de wei van 'Knil Schel' - tussen het riviertje de Keersop en de Provinciale weg - heeft hij met witte lakens het woord "help" uitgebeeld.
De hoofdmacht van de geallieerde troepen heeft inmiddels - via de 'Hell's Highway' (dat is de 'Luikerweg' van het Belgische Lommel naar het Nederlandse Valkenswaard) - Eindhoven bereikt. De verkenningseenheid van deze Britse Household Cavalry, komt dus polshoogte nemen en uiteraard ook informatie inwinnen. Zij bereiden immers ook een aanval voor in westelijke richting om - via Eersel en Bladel - te kunnen doorstoten naar Tilburg. Vandaar wil men proberen om contact te maken met de Poolse Brigades. Die zijn bezig om de Baronie van Breda te bevrijden van de Duitse bezetter.
Een legitieme reden voor de 'hulpvraag' van mijn Ome Kees is er eigenlijk helemaal niet. Evenals bij veel andere Kempische dorpen, heeft de Tweede Wereldoorlog in Westerhoven nauwelijks invloed op de dagelijkse gang van zaken. Er zijn gelukkig geen bombardementen of beschietingen geweest. De meeste mensen hebben een eigen moestuin. Dus is er ook voldoende eten en drinken. Het dagelijkse ritme is dan ook nagenoeg identiek aan dat van de vooroorlogse periode.
Als dank aan de 'hogere macht' dat Westerhoven nagenoeg ongeschonden uit deze oorlog is gekomen, wordt in 1949 de Sint-Valentinuskapel gebouwd.
Hoewel, er valt wel degelijk een oorlogsslachtoffer uit Westerhoven. Marinus Aarts (opent in een nieuw tabblad) (roepnaam Harry), zoon van de veldwachter, werkt als rechercheur bij de Eindhovense Politie. Dat heeft voor hem heel veel voordelen voor allerlei 'illegale praktijken' in het verzet. Hij heeft onder meer de beschikking over een auto. Daarmee brengt hij, onder andere, geallieerde piloten in veiligheid. Maar op 8 juli 1944 slaat het noodlot toe. Op weg met twee geallieerde piloten, wordt hij - op weg naar Tilburg - bij Moergestel door een Duitse patrouille staande gehouden en gearresteerd. Op 19 augustus 1944 sterft hij voor een vuurpeloton op de fusilladeplaats van kamp Vught.
Ook mijn ouders ondervinden aan den lijve het oorlogsgeweld. Ondanks de oorlog en de bezetting, is het voor hen in alle opzichten nog allemaal rozengeur en maneschijn. In oktober 1941 zijn zij getrouwd en leven ze nog op een roze wolk. Hun eerste woning staat in de Gestelsestraat in Aalst. In 1942 kopen ze een woonhuis in de Kleine Bleekstraat in Eindhoven. Dat huis staat vlakbij de Dommel, maar ook bij de Philipsfabrieken, midden in het centrum van Eindhoven. Dat die keuze voor hen later rampzalig zal uitpakken, daar hebben zij op dat moment geen enkele notie van.

Al sinds eind jaren dertig van de vorige eeuw zijn het onrustige tijden. De politieke ontwikkelingen in Europa voorspellen weinig goeds. Ook in Nederland hangt de dreiging van een nieuwe oorlog in de lucht. Dat onheilspellende gevoel wordt nog sterker, als Duitsland in september 1939 het weerloze Polen binnenvalt. Mijn vader kan de besluiteloosheid van de Nederlandse regering niet appreciëren. Hij heeft een heel sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel en is een man van actie.
Al vanaf zijn zestiende is hij een fanatieke motorrijder. Harley-Davidson is zijn favoriete machine. Samen met zijn motorvrienden maakt hij lange toertochten door de hele Benelux, Duitsland en Noord-Frankrijk. De vele foto's die hij nalaat, zijn de stille getuigen daarvan. Het is voor hem dan ook een logische stap om zich te melden als oorlogsvrijwilliger. Op 8 juni 1939 wordt hij ingedeeld bij het 1e eskadron Pantserwagens als motorordonnans, in de rang van soldaat eerste klas. Dat hij zelf een Harley van 1200cc heeft, is natuurlijk een groot voordeel.

Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers ook Nederland binnen. Zijn dierbare Harley wordt geconfisqueerd. Wat een brute pech. Toch weerhoudt het hem niet van zijn missies. Al op 18 juni 1940 ontvangt hij van de Rijksverkeersinspectie een vergunning voor een DKW die, net als zijn Harley, kenteken N-23262 (opent in een nieuw tabblad) droeg. Niet zijn favoriete machine, maar iets is beter dan niets. Werklozen werden al van voor de oorlog door de arbeidsbureaus onder druk gezet om werk in Duitsland te aanvaarden. Om hieraan te ontkomen, laat hij zich in september 1940 inschrijven als zaakvoerder van mijn moeders manufacturenwinkel. Die 'dekmantel' werkt.
Vanaf de zomer van 1942 doet mijn vader weer ordonnansdiensten, nu voor het verzet. Hij is dolgelukkig dat hij weer dat avontuurlijke werk kan hervatten.
De geallieerde troepen zijn in december 1944 inmiddels opgerukt tot aan Arnhem. Als ordonnans is mijn vader druk bezig met het bezorgen van allerlei stafkaarten, orders en instructies aan de commandoposten te velde en bij de diverse hoofdkwartieren. Het werkgebied ligt globaal in de driehoek Brussel, Antwerpen en Nijmegen. Al die ritten worden keurig verantwoord en genoteerd in zijn logboekje. Voor zijn persoonlijke bescherming heeft hij in een holster een klein, weinig imponerend 7-schots pistool en aan zijn koppel een handgranaat.
Het noodlot slaat tijdens zijn afwezigheid toe.

Volgens een verklaring van het Korps Aan- en Afvoertroepen van 8 april 1946 zijn de distributiebescheiden van het gezin op 5 december 1944 als gevolg van oorlogshandelingen verloren gegaan. Zou dat een verschrijving zijn? Zou het Sinterklaasbombardement van 1942 zijn bedoeld? Want begin december 1944 was Eindhoven al bevrijd en er zijn geen aanwijzingen voor een bombardement of andere grote oorlogshandelingen te vinden. De ramp tijdens de oorlog staat wel vast. Het huis van mijn ouders lag dichtbij de Philipsfabrieken. Bij het eerste luchtalarm is mijn moeder, samen met mijn oudste zusje en broertje, naar de buren gevlucht. Dat is hun redding, want hun woonhuis krijgt een voltreffer en wordt daarbij volledig verwoest. Met wat schamele bezittingen, die mijn moeder nog weet te redden, vlucht zij naar een tante in het Eindhovense stadsdeel Tongelre. De dag daarop vertrekt zij, met in de kinderwagen mijn oudste zus en broer, voor een voettocht naar Westerhoven. Daar, in haar ouderlijk huis, zoekt zij veiligheid en bescherming. Haar ouders zijn in maart 1942 en januari 1943 gestorven. Enkele van haar broers en zussen zijn nog niet getrouwd en wonen dus nog 'thuis'. Dat huis kun je, met zijn twee huiskamers en zeven slaapkamers, als vrij royaal bestempelen. Ook voor het jonge gezin is er dus plaats genoeg.
Vader is nog niet op de hoogte van de onheilspellend ramp, die zijn gezin is overkomen. Uiteraard is hij ontzet als hij bij thuiskomst de ravage in ogenschouw neemt. Onmiddellijk start hij een juridische procedure om de schade te claimen.
Het zuiden van Nederland is al bevrijd, maar in de rest van het land wordt nog steeds fel gevochten. Sinds 16 april 1944 is mijn vader lid van de BS, de Binnenlandse Strijdkrachten. Zijn ordonnanswerk gaat gewoon door. Daarom wordt hij op 17 februari 1945 ingelijfd, bij de Aan- en Afvoer Troepen van het Korps Motortransport Nederland.

Pas op 6 april 1946 wordt hij gedemobiliseerd en met groot verlof gestuurd. Als dank wordt hem het Mobilisatiekruis en de Oorlogsvrijwilligermedaille toegekend. Hij zal deze echter nooit dragen. Neen, op Koninginnedag en de Bevrijdingsdag, draagt hij bij voorkeur een fel oranje zijden tulpje op de revers van zijn jacquet.
Het leven herneemt weer zijn gewone gang. Ook vader hervat zijn werk weer als opzichter bij de Nederlandse Heidemaatschappij. Mede onder zijn toezicht zijn de visvijvers in Bergeijk en Valkenswaard aangelegd. Ook de Somerseheide en de Pielis in Bergeijk worden gecultiveerd en omgetoverd tot vruchtbare akkers en weilanden. Vooral psychisch is het zwaar werk. Immers bij die projecten worden veelal werkelozen te werk gesteld. Dat is een wettelijke contraprestatie voor hun werkloosheidsuitkering. Het zijn dan ook niet de meest gemotiveerde werknemers. Felle discussies en soms zelfs een handgemeen, zijn bijna dagelijkse praktijk. Het is een job, waarbij veel takt, diplomatie en overredingskracht nodig is.

Bovendien is het op sommige projecten ook daadwerkelijk levensgevaarlijk. Op de nog te ontginnen gronden van de Pielis in Bergeijk ligt nog heel veel oorlogstuig. Veel niet ontplofte granaten en andere munitie dwingen de arbeiders om uiterst behoedzaam te werken. Regelmatig arriveren dan ook gespecialiseerde militaire bommenruimers. In grote rieten manden verzamelen zij al deze nog levensgevaarlijke explosieven. Deze niet ontplofte munitie wordt vervolgens op een grote hoop gelegd, tezamen met een op afstand te bedienen ontstekingsmechanisme. Pas als al de voorgeschreven veiligheidsprocedures zijn doorlopen en het gebied ontruimd is, volgt de detonatie. Die geweldige explosies zijn echt kilometers ver in de omtrek te horen. Het is nagenoeg een dagelijkse routine, zodat er eigenlijk niemand meer acht op slaat als die explosies door het dorp dreunen.
Na de Tweede Wereldoorlog komt ook het Nederlandse rechtssysteem langzaam op gang. Uiteraard ligt allereerst het accent op het strafrecht. Immers tal van NSB-ers, verraders, collaborateurs, zwarthandelaren, et cetera, moeten zich voor hun daden verantwoorden. Pas in het begin van de vijftiger jaren wordt ook een begin gemaakt met de afhandeling van civiele procedures. In mei 1954 is de door mijn vader ingediende schadeclaim behandeld. Als hij terugkomt van de Rechtbank, zit hij terneergeslagen aan het middagmaal. Hij huilt geluidloos. Grote dikke tranen rollen over zijn wangen en vallen in zijn bord soep. Zijn schadeclaim is, met een beroep op het oorlogsrecht, afgewezen. Arme Vader. Hij beseft dat de financiële toekomst van hem en zijn gezin weinig rooskleurig zal worden.
In de daaropvolgende jaren verandert mijn vaders karakter. Was hij altijd vrolijk en extravert, nu is hij stil en vaak in zichzelf gekeerd. De veteranenziekte PTSS is in die tijd een nog onbekend fenomeen. Maar ook fysiek gaat zijn gezondheid achteruit. De talloze en eindeloze motorritten, vaak door weer en wind, eisen hun tol. Allerlei longproblemen zijn de oorzaak dat hij noodgedwongen moet stoppen met werken. Zijn verantwoordelijkheid voor vrouw en gezin sleept hem letterlijk door de dag heen. De toenemende longproblemen kluisteren hem steeds meer en meer aan huis. De wereld die in zijn jonge jaren niet groot genoeg kon zijn, wordt voor hem steeds kleiner. Iedere ademtocht is een zware beproeving.
Uiteindelijk moet hij ook die strijd opgeven. Toch nog geheel onverwacht overlijdt hij in 1970 in het RK Binnenziekenhuis in Eindhoven. Een tweede longembolie wordt hem fataal. Het bizarre toeval wil, dat dat ziekenhuis slechts een goede honderdtal meters ver ligt van de plaats waar eens zijn gebombardeerde huis stond en waar alle oorlogsleed begon.
Dit verhaal is een aangepaste versie van het artikel dat eerder in dorpsblad de MikMak (opent in een nieuw tabblad) (13 februari 2025) verscheen. Het is geschreven op basis van herinneringen van de auteur aan het verhaal dat zijn moeder hem vertelde en van documenten in zijn bezit.
