We zitten nog midden in de 80-jarige oorlog en er is vreemd krijgsvolk in aantocht. Alle reden voor groot alarm! Have en goed in gevaar, lijf en leden niet langer veilig. Verzet tegen beroepssoldaten had voor militair ongeoefende plattelanders nauwelijks kans van slagen. Het alternatief: het geweld afkopen of tijdelijk elders een veilig heenkomen zoeken.
Neem bijvoorbeeld het Land van Cuijk en Ravenstein. Uit de weinige bewaard gebleven bronnen blijkt dat Kroatische troepen in dienst van de keizer hier in de jaren dertig van de zeventiende eeuw meedogenloos huishielden. Die bronnen spreken over dood en verwoesting, over grote ellende voor de plattelandsbevolking, die niet zelden op de vlucht sloeg, zoals bijvoorbeeld in Oeffelt het geval was.
Ook uit het Veghelse dodenboek uit die periode valt op te maken dat er veel vluchtelingen zijn geweest. Tussen 12 oktober en 9 november 1635 stierven er in Veghel 18 mensen, van wie maar liefst minstens 9 personen van buiten het dorp: 6 uit Uden, 1 uit Oeffelt, 1 uit Loon (Neer- of Overloon?) en 1 uit Bekerstaay bij Vierlingsbeek.

De reden voor dit grote ‘allochtone’ aandeel blijkt uit de eerste inschrijving: op 12 oktober 1635 stierf Elizabetha Joannis Adriani Leesten uit Uden hierheen gevlucht voor de zeer woeste en wrede oprukkende soldaten van de keizer. Net als de meeste anderen in deze periode overleed zij aan de gevolgen van buikloop.

Jost Amman (1539-1591), plunderende soldaten c. 1550. Bron: Anne S.K. Brown Military Collection, Brown University Library
Wat kunnen we uit hieruit opmaken? In Veghel bevond zich in oktober-november 1635 een grote groep vluchtelingen – gezien het aantal sterfgevallen lijkt een schatting van enkele honderden gerechtvaardigd – uit met name Uden maar ook van elders uit het Land van Cuijk en Ravenstein, op de vlucht voor de keizerlijke, Kroatische soldateska. Door ontberingen verzwakt liet een aantal van hen het leven.
Na 9 november komen we geen vluchtelingen meer tegen in het Veghelse dodenboek. Het directe gevaar was geweken, de ontheemden zijn huiswaarts gekeerd en hebben zo goed en kwaad als dat ging hun leven weer opgepakt. In 1636 hervatten de Kroaten hun plundertochten, maar Uden bleef dat jaar gespaard, een nieuwe vluchtelingenstroom naar Veghel bleef uit.
Hoe vallen deze gegevens te rijmen met de aantekening in het Udense doopboek uit 1635 dat een grote groep Udenaren onder leiding van Joachim die Wilde eind oktober 1635 ‘den kerckhoff in gehouden’ heeft? Zoals we hierboven zagen was er al ruim voordat de Kroaten op 25 oktober in Volkel huishielden en daarna het vizier op Uden richtten, een grote vluchtelingenstroom uit het Udense op gang gekomen.
Een groep weerbare mannen bleef in het dorp achter en slaagde erin de Udense kerk het lot van de Volkelse kapel te besparen: het godshuis bleef onbeschadigd. En dat was voor de pastoor begrijpelijkerwijs het belangrijkste, dat feit noteerde hij. Maar wat het lot van de rest van het dorp was? Daarover zwijgt de Udense zielenherder. Hoe de vluchtelingen die vanaf november 1635 weer huiswaarts keerden, hun woonsteden aantroffen? We weten het niet, maar de kans is groot dat er heel wat op te ruimen en te herstellen viel.
