Van 2017 tot 2024 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de column 'Oud Nieuws' voor DeMooiSchijndelKrant. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere feiten uit de geschiedenis van Schijndel.
Laat ik deze column beginnen met een letterlijke vertaling van dit heerlijk stukje oud schrift: “Alsoo ingesetenen des dorps van Schyndel onder de Meyerije der Stadt Shertogenbossche resorterende, overmidts de langhe geduert hebbende ende noch continuelick Inlantsche oorlogsche troublen ende beroerten, gevallen ende gecomen zijn in groote merckelijcke schulden ende tachterheeden van penn[ingen[, die zij hebben moeten opnemen, boven de gheene die zij by gemeynen grooten ende excessive omslaegene tauxen, onder malcanderen nae hennen utersten vermoeghen“ etc.*
Wat is er in werkelijkheid aan de hand? Rondtrekkende troepen, wapengekletter, plunderingen, zware oorlogslasten door zowel de Staatse als Spaanse machthebbers, rumoer in heel de regio, stroperijen door Spaanse troepen en noem maar op! Bovendien had men te maken met een zeer strenge winter. Vooral dat laatste had tot gevolg dat met name Prins Maurits zich bedacht nadat hij met een leger van zo’n 8000 manschappen richting ’s-Hertogenbosch was getrokken om de stad, die toen in Spaanse handen was, te belegeren. Antonie Schets de Baron van Grobbendonk, tevens gouverneur van ’s-Hertogenbosch, was op zijn hoede! Op 27 november 1601 werd vanwege de intrede van die strenge vorst het beleg afgeblazen, te meer ook omdat diverse rivieren bevroren waren. Het bezettingsleger zou geen enkele kans maken. Maar….Maurits zou Maurits niet zijn als hij in 1603 niet een nieuwe poging zou ondernemen, die overigens ook niet leidde tot de inname van de stad Den Bosch en haar Meierij.
Maar een belegering van ’s-Hertogenbosch had direct zware consequenties voor de hele Meierij. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in alle kwartiersvergaderingen van o.a. Peelland, Kempenland, Oisterwijk en Maasland met de regelmaat van de klok de schermutselingen op ons grondgebied ter sprake kwamen. Naar dat kwartiersoverleg stuurde elk dorp een afgevaardigde. Dat kon o.a. zijn de schout, de president van het schepencollege, de stadhouder, de secretaris, de vorster, een van de individuele schepenen, een van de borgemeesters [die de dorpsfinanciën onder hun beheer hadden].
Binnen het Schijndelse college stuurde men meestal een van de schepenen naar de kwartiersvergadering van Peelland, die in de regel gehouden werd in ‘de Wildeman’ in Helmond. In de woelige periode 1601-1605 werden op verzoek van de toenmalige kwartierschout van Peelland, jonker Marcus van Gerwen, vanuit zijn kasteel Dommelrode, maar liefst 81 kwartiersbijeenkomsten belegd.
Vanuit de onderscheiden garnizoenssteden in Brabant, maar ook die binnen de Zuidelijke Nederlanden bv. Hamont, Diest, Herentals, vielen legio ordonnanties op de deurmat m.b.t. de levering van manschappen ter verdediging of herstelwerkzaamheden van forten en andere verdedigingswerken, levering van brood, vlees, haver, hooi, inzet van paarden en karren, inkwartieringen van militairen, brandschattingen en wat dies meer zij. De ingediende klacht van het schepencollege van Schijndel was slechts één van de vele voorbeelden van die klachtenregen. De bevolking raakte uitgeput en er heerste armoede alom.
De kwartierschout was veelvuldig onderweg om te onderhandelen met de oorlogvoerende partijen!
Bron: Bosch’ Protocol inv.nr.1373 folio 306v september 1602; Mr. Johan Hendrik van Heurn Historie der Meierije van ’s-Hertogenbosch deel 2 pag. 237 e.v. [fascimilie uitgaven Adr. Heinen BV [1974], Henk Beijers – biografie van Jonker Marcus van Gerwen [1565-1645]
* = scan berust bij het Stadsarchief 's-Hertogenbosch.
Oorspronkelijke publicatiedatum: 10 mei 2023 (nr. 131)