Van 2017 tot 2024 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de column 'Oud Nieuws' voor DeMooiSchijndelKrant. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere feiten uit de geschiedenis van Schijndel.
Onlangs verscheen een lijvig artikel in het BD over het planten van populieren in de Bodem van Elde en dat in relatie met het eeuwenoude voorpootrecht. We duiken even in de historie want wie het verleden een beetje kent kan elementen uit het heden soms net iets beter begrijpen.
Voor de Bodem van Elde mogen we ruim zeven eeuwen terug nl. tot 1314. Op 13 juni van dat jaar gaf de toenmalige hertogelijke rentmeester van de Hertog van Brabant het uitgestrekte gebied met moerassen, bossen, ruige rivier- en beekdalen aan vier heren nl. Gerardus van der Aa van Boxtel, Lodewijk van der Alsbake, Jan die Heffge Wouterssen bijgenaamd Lange Wouterssen en Nenneken van der Aabrugge. Zij kregen daarmee, uiteraard tegen betaling, het recht om het gebruik van het hele gebied, wat wij nu kennen onder de straatnaam ‘Bodem van Elde’, waaronder Schijndel, Boxtel, Gemonde en Sint Michielsgestel. Dat waren vier rechtsgebieden, jurisdicties of gemalen, vandaar de straatnaam in dat gebied ‘de Vier Gemalen’.

Voor het toezicht op de Bodem mochten uit elk dorp twee schutters aangesteld worden. Zij werden gezworenen genoemd. De belangrijkste regels die gehandhaafd dienden te worden door die schutters waren toezien op het graven van kuilen, steken van graszoden en heiplaggen, het turven ter plaatse en eventueel ander onbehoorlijk gebruik. Ook schaapherders hadden zich te houden aan vaste regels en het weiden ervan gebeurde op vastgestelde plekken in dat omvangrijk gebied. Bij overtreding werden boetes uitgedeeld.
De gezworenen regelden in onderling overleg het gebruik en het financieel beheer. Ze hadden ook de zorg over de wegen en waterlopen en het onderhoud ervan. Indien nodig voerden ze processen tegen de bestuurders van de vier dorpen. Landmeter en architect Hendrik Verhees uit Boxtel heeft destijds een prachtige kaart getekend zoals in de illustratie is te zien. Hij noemde die een [in de spelling van die tijd geschreven]: “Caart figuratief van de verdeelingen en grenscheydingen van den Bodem van Elde, soo als die op den 11 mey 1802 te ‘sBosch voor den notaris Carel Storm van ‘sGravesande tuschen de gezwoorens van St.Michiels-Gestel, Boxtel, St.Oednerode en Schyndel, mitsgaders de gecommitteerdens uyt het gemeentebestuur van Schyndel is verdeelt en gesippareert [lees: gesepareerd] – opgenomen door H.Verhees 1803".
Gekoppeld aan de Bodem van Elde is ook het recht van voorpoting van kracht. Daartoe moeten we terug naar een brief gedateerd 18 juli 1465. De inwoners van Schijndel kregen daarmee verlof om rond hun erf tot 40 voet [ca. 12 meter] diep in de gemeente bomen te planten. Op de oudste kadasterkaart van 1832 worden op die zgn. voorpootstroken bomen geplant onder de benaming ‘opgaand geboomte’ en mocht men die bomen ook zelf kappen, maar dan was men tevens verplicht er meteen nieuwe te plaatsen. Na het kappen moest men aan de hertog wel belasting betalen bekend onder de naam ‘houtschat’.
Overigens hadden de inwoners van de Bodem van Elde dat voorpootrecht al gekregen in 1462.
Bron: Henk Beijers in: Schijndels landschap [2003] p.47; Wiro Heesters Schijndel historische verkenningen [1984] p.41 e.v.
Oorspronkelijke publicatiedatum: 5 februari 2020 (nr. 61)
