Van 2017 tot 2024 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de column 'Oud Nieuws' voor DeMooiSchijndelKrant. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere feiten uit de geschiedenis van Schijndel.
Jenneke de weduwe van wijlen Adam van Waarden uit Schijndel en Catharina de vrouw van Corstiaan van den Oetelaar woonachtig onder de heerlijkheid Sint-Michielsgestel zijn twee dames die ter goeder naam en faam bekend staan. Ze zijn opgeroepen om op verzoek van Hendrik van Abeelen uit Liempde en onder het afleggen van de heilige eed de waarheid te komen vertellen tegenover Nicolaas Zijnen.
Ze getuigen dat in 1747 of 1748 in Schijndel een keizerlijk regiment cavalerie dragonders was ingekwartierd genaamd Stirum en met name de wachtmeester van dat regiment was hen opgevallen. Bij Van Abeelen die in die tijd in Schijndel woonde was een dienstmaagd actief bekend onder de naam Catarina Gerit Snellaars. In het huis van Van Abeelen was ook die wachtmeester ingekwartierd.
De eerste dame legt haar verklaring af dat ze nl. gezien had dat zowel de dienstmaagd als de wachtmeester op een zondag of heiligendag, terwijl Van Abeelen en zijn vrouw naar de kerk waren, in een van de kamers samen op bed lagen, waarbij Catarina haar rok en kleren over haar hoofd had getrokken, zodat haar onderlijf en benen er geheel bloot bij lagen. De wachtmeester kwam onmiddellijk van dat bed af springen ‘met sijn schamelheijt bloot’. Enige tijd later zou men ze voor de tweede keer gezien hebben in dezelfde kamer en ook weer samen op bed en hij hield dat net zo lang vol totdat, zo meldt althans de verklaring van Jenneke, hij aan haar ‘sijne mannelijkheijt gepleegt hadde’, waarna hij geheel bloot van het bed kwam.
Ook Catharina, de tweede getuige, had eenzelfde ervaring vertelde ze. Zij had de cavalerist en het dienstmeisje na een tweede ronde door het huis in een zijkamertje de liefde zien bedrijven en ze verzamelde daarna alle moed om de dienstmaagd daarop vermanend toe te spreken en zei: “Kaat wat hebbe daar gedaan?” De jonje dame antwoordde daarop: “Swijgt maar stil, segt het tegen den baas off vrouw niet; sie daar, ik heb een ducaat van hem gekreegen!”. Ze liet die dukaat heel uitdrukkelijk zien.
In het raadhuis werd op 10 maart 1759, ten overstaan van de schepenen Hendrik van der Schoot en Jan Beex dit afgelegde getuigenis nog eens voorgelezen en de beide dames, die beiden aangaven niet te kunnen schrijven en daarom geen persoonlijke handtekening konden plaatsen, bleven bij hun verklaring.
[Bron: BHIC 5122 inv.nr.162 Schepenprotocol 1757-1760 scan 405 e.v.]
Oorspronkelijke publicatiedatum: juni 2017 (nr. 2)
Illustratie via Rijksstudio.
