Van 2017 tot 2024 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de column 'Oud Nieuws' voor DeMooiSchijndelKrant. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere feiten uit de geschiedenis van Schijndel.
Vele parochianen met een muzikaal hart zullen van binnen iets voelen als ze de warme klanken horen van dit majestueuze orgel dat in 1852 is gebouwd in de Servatiuskerk. Het muziekinstrument door de firma Smits uit Reek en de orgelkast en oksaal door de firma Buyssen uit Boxmeer. Een kerkelijk monument dat met de grootste zorgvuldigheid behandeld dient te worden want het is nu eenmaal een uniek bezit.
Er prijken er in Brabant gelukkig nog drie nl. Boxtel, Oirschot en Schijndel. Laten we zuinig zijn op dit inmiddels 167 jaar oude muziekinstrument waar de Schijndelse gelovigen al vanaf het pastoraat van de bekende pastoor Antonius van Erp van hebben kunnen genieten.
Laten we even teruggaan naar het midden van de 19e eeuw want uiteindelijk is deze column in het leven geroepen om ‘oud nieuws’ te melden. Op het moment dat pastoor Van Erp opdracht gaf tot de bouw van dit Smitsorgel begon hij ook aan het uitwerken van een boeiend register mat allerlei parochiële notities dat deel uitmaakten van het redelijk rijke parochiearchief van de Servatiusparochie. Vóór zijn aantreden als pastoor in 1831 is er opvallend weinig archiefmateriaal bewaard gebleven met uitgesproken parochienieuws. Dit nieuwe register noemde hij officieel het ‘registrum memoriale’.
Geheel onduidelijk is of er toen al een groot kerkkoor bestond. In het archief vond ik een reglement dat betrekking had op de zangers, dus mag aangenomen worden dat er meerdere koorleden waren, maar alleen de voorzanger of voorzangers kwamen in aanmerking voor een bescheiden vergoeding. Het traktement van een voorzanger bestond voor een gezongen mis uit 20 centen en voor een gezongen lijkdienst uit 30 centen. Mochten er meerdere voorzangers zijn dan moesten die het bedrag onderling verdelen.
Verder bepaalde pastoor Van Erp het volgende: “Zij zullen namiddag om vijf uur verenigd zijn om zich van vijf tot zes in den zang bezig te houden en aan elken zanger wordt toegestaan 1 ½ liter bier, maar om hiertoe gerechtigd te zijn moet hij de oefening in den zang van het begin af hebben bijgewoond en daarenboven wordt aan de ouderlingen ten strengste opgelegd in geen geval meer dan 3 ½ liter bier te betalen en dat alleen wanneer het zangers zijn die een geheel uur hebben geoefend!”.
In de zomermaanden werden de zangers geacht om steeds op de eerste zondag bijeen te komen om zich in de zang te bekwamen. Op of rond 22 november mochten de koorleden traditiegetrouw het Ceciliafeest vieren dat door de kerk werd betaald.
Dat waren nog eens tijden! Over zangeressen wordt met geen woord gerept, dus was het zingen in de kerk toentertijd een pure mannenaangelegenheid.
Ook toen al maakte men onderscheid tussen gezongen en gelezen missen en bij de lijkdiensten was zelfs sprake van uitvaarten met ofwel witte kaarsen of gele kaarsen en een aparte vermelding kregen de gildemissen, wanneer een gildebroeder ten grave werd gedragen. De betalingen van al die onderscheiden liturgische diensten varieerden van 20 tot 50 centen per viering.
Oorspronkelijke publicatiedatum: 13 maart 2019 (nr. 42)
Illustratie: het Smitsorgel in de Sint-Petruskerk (thans basiliek) te Boxtel. Collectie BHIC, nr. 1901-005050.
