Van 2017 tot 2024 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de column 'Oud Nieuws' voor DeMooiSchijndelKrant. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere feiten uit de geschiedenis van Schijndel.

Ik hoor iedereen denken….wat is dat nu voor ’n titel? Toch is het een reëel verhaal als we teruggaan naar het ‘rampjaar 1672’ dat dit jaar uitgebreid wordt herdacht omdat het 350 jaren geleden is. In een eerdere column heb ik daar al eens de aandacht op gevestigd. Het gaat hier om een veldslag in de Zuidelijke Nederlanden die op 11 augustus 1674 werd voltrokken tussen het toenmalige Franse leger o.l.v. de Franse maarschalk Condé en een Nederlands-Spaans-Oostenrijks-Duits leger aangevoerd en aangevuurd door stadhouder Willem III.
Tijdens die oorlog trok Willem III naar de Zuidelijke Nederlanden. Eenmaal aangekomen in Brussel wilde de stadhouder zijn manschappen van het Staatse leger laten aansluiten bij Spaanse troepen die vanuit Duitsland in die richting waren opgetrokken. Op 10 augustus besloot opperbevelhebber Willem III direct naar Parijs te marcheren om een veldslag af te dwingen. In slagorde passeerde hij de Franse linies. Condé op zijn beurt zag kans om met zijn cavalerie het Staatse leger van achteren aan te vallen. De hele bagage ging verloren en het Staatse leger werd teruggedrongen tot bij het plaatsje Seneffe. De infanterie van Condé wist het leger van Willem III uit dit dorp te verdrijven. Inmiddels was de stadhouder er wel in geslaagd een forse verdedigingslinie op te bouwen bij het dorpje Fayt. Het lukte Condé niet de linies aldaar te doorbreken. Een bloedige strijd volgde en na 10 uren van felle gevechten leidde dit al tot 8000 doden. Beide partijen claimden de overwinning.
Nu de cruciale vraag….wat deden de Schijndelaren daar? Het antwoord is simpel. Veel inwoners van Peelland werden destijds opgetrommeld of geronseld om de nodige karrendiensten te verlenen aan het Staatse leger. Afstand speelde hierin geen rol. In het kwartiersarchief van Peelland doken diverse lijsten van karrendiensten op waarbij de 28 dorpen met name genoemd worden en ook de namen van de voerlieden, data, het aantal dagen die men in dienst was en wat er met hun bagage en paarden gebeurde. De voerlieden waren verplicht zich te melden met een huifkar bespannen met twee paarden voor vervoer van bagage en oorlogsmaterieel of zieken en gewonden.
In de diverse lijsten staan verschillende Schijndelse voerlieden opgesomd die vanuit Den Bosch vertrokken en na ongeveer 11 dagen aankwamen in de buurt van Mechelen: Francis van Cromvoirt [soms ook Krommert] die 71 dagen had gediend, Hendrick Thomassen, Gijsbert Bastiaens, Wilbort Anthonis Smidts 99 dagen, volgens een verklaring van kapitein Gijsbert Moermans. Ze hadden gediend in de ‘bataille van Seneffe en Marimont’ en vluchtten uiteindelijk naar Mechelen, waar ze werden ‘aangeslagen’ door het garnizoen van Condé, waar kolonel Laverne hen hun paarden afperste, die vrij snel onder de Franse cavaleristen werden verdeeld. De huifkarren liet men daar achter. In een ander overzicht staat ook Jan Janssen van der Wetering genoemd. Dit is nog maar ‘het topje van de ijsberg’!
Bron: Kwartiersarchief Peelland BHIC toegang nr.2 inv.nrs. 156 t/m 159 met scans van de originele stukken, een indrukwekkend geheel.
Oorspronkelijke publicatiedatum: 21 september 2022 (nr. 119)

