Van 2017 tot 2024 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de column 'Oud Nieuws' voor DeMooiSchijndelKrant. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere feiten uit de geschiedenis van Schijndel.
Geschiedenis is eigenlijk een prachtig vak. Als je in oude stukken duikt passeert er van alles, het ene bericht al boeiender dan het andere, maar ondanks dat slaak ik ook wel eens een verzuchting in de zin van ‘er is werkelijk niets nieuws onder de zon’. Alles is in de rijke wereldhistorie of in onze eigen lokale historie al eens ooit voorbij gekomen, maar misschien net iets anders ingekleurd.
Vele eeuwen lang is er met gepaste trots gesproken over de bloeiperiode in het ‘katholieke zuiden’ met al z’n kerken, kapellen, priesters, paters, zusters, fraaie basilieken, indrukwekkende processies, bedevaarten, rijk gevulde zondagsdiensten, wegkruisen, de zeven sacramenten, rozenkransgebed, bidden van de kruisweg, het staat nog allemaal diep in ons geheugen gegrift. Door de secularisatie en ontkerkelijking is dat beeld inmiddels geheel anders van kleur geworden. Terwijl wij nog als kind er mee zijn opgegroeid en er sterk vertrouwd mee zijn geraakt, constateren we nu dat een behoorlijk groot deel van de huidge jongste generatie er totaal géén beeld meer bij heeft. De geschiedenis gaat echt op en af en dat heeft zoals ik het beleef een bepaalde charme.
Een actieve congregatie als bv. de Zusters van Liefde van Schijndel [1836-heden] met maar liefst in haar historie 93 ingetreden Schijndelse meisjes is op haar retour. Ons Bossche bisdom bracht in het verleden legio priesters voort en nu gaat het nog maar om enkelingen die zich geroepen voelen voor een pastorale taak. Dat was in het verre verleden inderdaad anders!
We maken even een uitstapje naar begin 16e eeuw en concentreren ons op het Groot Begijnhof te ’s-Hertogenbosch van die dagen. Wat menig Schijndelaar immers niet weet is dat er rond 1500 aardig wat Schijndelse meisjes intraden bij die gelovige gemeenschap die al in ’s-Hertogenbosch vanaf de 13e eeuw bestond. Het zou een van de grootste begijnhoven zijn geweest in de toenmalige zuidelijke Nederlanden. Begijnen hadden een status tussen kloosterzuster en lekezuster. Ze legden een gelofte van gehoorzaamheid en van zuiverheid of kuisheid af, maar bv. niet de gelofte van armoede, die andere kloosterstichtingen wel kenden.
Uit het inmiddels gescande Schijndelse archiefmateriaal in het ‘Bossche Protocol’ tussen 1501 en 1793, waarvan de periode tot 1531 intussen door mij bewerkt is, blijkt dat veel meisjes uit Schijndel de weg naar het Begijnhof hadden gevonden. We noemen als voorbeeld over de periode 1500 tot 1510 de volgende ‘Schijndelse durskes’: Heylwich van der Hagen [1502], Heylwich van den Afteren [1503], Yda van de Wetering [1503], Elisabeth van Broekhoven [1503], Katharina van den Nuwenhuis [1504], Katharina van der Stappen [1504], Geertrui van de Wetering [1505], Katharina Costers [1505], Katharina Voets [1505], Katharina van der Stappen [1506], Elisabeth Buekentop [1508], Christina van Poppel [1508], Katharina Gerits [1508], Gertruda Doesborch [1509], Elisabeth Liebregts [1509], Gertruda van de Wetering [1510].
Bron: Ton Wetzer Bossche Encyclopedie en het project ‘Bosch’Protocol’ op mijn website onder de rubriek ‘erfgoed ’s-Hertogenbosch’
Oorspronkelijke publicatiedatum: 20 november 2019 (nr. 58)
