Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Pardoes tussen de Papoea’s beland

Pardoes tussen de Papoea’s beland

Maarten van de Rakt

27 oktober 2025

Bijgewerkt op 27 oktober 2025

Jan van de Coolwijk (84) uit Haren belandde als 19-jarig menneke in 1960 pardoes bij de Papoea’s in Nieuw-Guinea. Hoe dat kwam? Hij blikt terug op een beetje vergeten stukje vaderlandse geschiedenis.

Op zoek naar infiltranten

"Ik was een avonturier. Op zoek naar iets anders. Wilde iets zien van de wereld", vertelt-ie. "Ik moest in militaire dienst. Ik kon bij de mariniers komen. Geweldig, ik denk: 'Dan kom ik nog eens ergens'."

"Dan ben je een flinke jongen, hè, marinier", lacht Jan relativerend. "Ben ik later achter gekomen dat dat imago helemaal niet zo is. Wij zijn ook maar gewoon Hollandse jongens."

Ze maakten een kok van hem. Hij stond ook een tijdje in de keuken. "Ik moest van de bootsman een keer zachte voeding maken. Dus ik maakte vla, speciaal veel, want ik lustte hem zelf ook graag. Kreeg ik op mijn flikker. 'Dat is stelen', riep-ie. 'Als het nog een keer gebeurt, ga je op rapport.' Paar weken later moest ik een slaatje maken. Laat ik een gesneden ei vallen en raap het op. Schreeuwt die bootsman: 'En nou straf ik je.' Je weet wel hoe dat gaat. Onmiddellijk de keuken uit. Toen werd ik infanterist en kon naar Nieuw-Guinea."

Actie

Het was 1960, Jan was 19 jaar. Na een reis van 36 uur landde de DC-7 in Nederlands Nieuw-Guinea bij de Papoea’s. Midden in een uit de hand lopend internationaal conflict, het einde van de koloniale tijd. Nederland had in Nederlands-Indië Indonesië losgelaten, maar hield krampachtig vast aan Nieuw-Guinea. En dat pikten de Indonesiërs niet.

"We hadden werkelijk geen flauw idee wat daar te doen was. Wisten wij veel, wij kwamen ook maar van een simpel boerendorp. Daar zagen we in de bush allemaal mensen lopen in de blote kont. Dan valt oew mond open. Je komt in de rimboe hele stammen tegen die nog nooit van hun leven een blanke hebben gezien. Vooral bij de Wisselmeren zagen we inlanders met peniskokers en blote vrouwen. Een heel aparte ervaring. Op het laatst valt dat niet meer op. Ja, het was 1960, een heel andere tijd. Tegenwoordig blikken of blozen we niet meer zo gauw.’’

"Om de haverklap moesten we met een patrouille van een man of twintig de bush in. Dan waren er ergens in een uithoek Indonesiërs gespot. Infiltranten. Daar werden wij dan in een boot naartoe gebracht. Kijken of we die lui op konden vangen. Dan riepen we 'berenti ado saya pasang', 'sta stil of ik schiet'. Zo zijn er meer Maleise woorden blijven hangen. Ach, die lui waren ook maar gestuurd door Soekarno. Die kregen bij ons als krijgsgevangene een of twee weken goed eten en drinken. Zij waren gewoon blij als ze gevangen genomen werden."

Op patrouille

"We moesten 'koelies' (inlandse sjouwers - red.) meenemen in de bush. Anders kon je echt niet door die rimboe heen komen. Dan kwamen we nooit meer thuis. Nou, en ik had pech. We hadden een luitenant, ik vergeet het nooit meer, luitenant Tesselaar. Heel mooie man, lieve kerel ook. Die zei: 'Ik heb 15 man nodig, en ik zoek vrijwilligers, anders wijs ik ze aan'. Dus dat was niet zo moeilijk. 'Om te beginnen, Van de Coolwijk, die gaat mee. Want ik wil een beetje goed eten'. Koken moest in een blikje op een houtvuur. Iedereen moest een sok vol rijst meenemen. Wat we teveel kookten, was voor de Papoea’s."

Die patrouilles gingen niet zonder slag of stoot. Jan belandde ook in vuurgevechten, maar wil daar verder niets over kwijt. Wel eens bang? "Natuurlijk, wie zou dat niet zijn geweest? Als ik zeg: 'ik was liever in Nieuw-Guinea dan thuis', dan lieg ik. Als er een vliegtuig overkwam, dan riepen we met zijn allen: repatten, repatriëren."

Het was daar bij de Papoea’s een soort Verweggistan. Post krijgen duurde een eeuwigheid. Jan zat bovendien altijd in de bush en daar kwam überhaupt geen post. En telefoon? "We hadden op patrouille een aggregaat bij ons. Dan konden we stroom maken. Dan konden we naar het volgende kamp telefoneren. Dat was het dan. Verder was er niks."

Feest

En het was geen vetpot bij het Korps Mariniers. Maar 127 gulden per maand beurde hij. Daar moest alles van betaald. Ook kleren, zeep, tandpasta en de kapper: "Want het kapsel moest kort blijven. En als we schoenen moesten laten lappen, dan namen we die mee op patrouille. Dan heette het patrouilleschade en hoefde je niks te betalen."

Jan spreekt van een mooie tijd. "We maakten van alles mee. Je zat zonder water en dan kwam zo’n Papoea met een bamboestam. Hakte hij een gaatje in, en dan kwam er water uit, zoveel dat je niet wist waar je het zoeken moest. Dan kon je je eigen wassen en drinken. Zo’n dingen allemaal."

"We hadden een koelie bij ons, die liep altijd met een doodskop. En daar sliep-ie op, zijn middagdutje. Hij vertelde dat zijn kameraad bij de jacht gewond raakte en doodging. 'Toen hebben we hem opgegeten', zei hij. Want het zijn menseneters, hè. Die schedel had hij altijd bij zich."

Hoe die man eigenlijk heette en hoe ze met elkaar communiceerden? ,,Die noemden we gewoon koelie en dat bleef koelie. Praten deden we met handen en voeten en met de Maleise woorden die we kenden. Ik had een Indische kameraad die veel vertaalde. Van hem heb ik het een en ander geleerd.’’

Samen eten

Het koppensneller-verhaal brengt hem op de vermissing van Michael Rockefeller, telg uit een steenrijke Amerikaanse familie. Die was daar op antropologische expeditie bij een inheemse stam. Hij sloeg om in een bootje en verdween spoorloos. Dat werd wereldnieuws. ,,We hebben een week of drie naar hem gezocht. Nooit meer iets van teruggevonden. Die is daar gewoon aangespoeld en opgegeten.’’

Nederland stuurde in die jaren mariniers en landmacht die kant uit. Altijd een beetje haat en nijd tussen die twee, schetst Jan. ,,Behalve als we samen moesten optrekken, dan waren we één. Er was altijd ruzie, en dan was ik de tussenpersoon die alles recht breide. Ik ben meer van het harmonieuze. Zij kregen een week vrij na een patrouille. Wij maar een dag om onze spullen schoon te maken en dan kon je weer uitrukken. Per barak hadden zij een platenspeler, wij niet. Bij de landmacht hadden ze grote hoeden, wij moesten het doen met kleine petjes. Van die dingen.’’

Hectisch werd het ter plekke toen Indonesië drie snelle schepen stuurde vol soldaten, en een Nederlands fregat een boot torpedeerde. De andere twee draaiden om. Groot alarm op de kazerne, alle hens aan dek.

,,Ik zou eigenlijk naar huis mogen na 14 maanden, maar we kregen er drie maanden bij. Op mijn verjaardag nota bene. Het ergste is dat we dachten dat de Amerikanen Nederland wel zouden steunen. Dat deden ze dus niet, en toen moesten wij eruit. De Russen hielpen de Indonesiërs. Russische duikboten hadden hier de boel omsingeld. Als Amerika actie had ondernomen, waren ze weggeweest. Wat moesten wij nou met ons katapultje? Al met al zijn we er eigenlijk redelijk goed vanaf gekomen.’’

De grootste klap kwam na afloop. Toen was Jan al thuis gearriveerd. ,,Op de dag van de overdracht van Nieuw-Guinea sneuvelde nog een jongen van mijn peloton. Dat raakte me het meest. Uit Breda kwam hij, ik heb zijn foto hier ergens liggen.’’

Slapende Papoea

De Harenaar had kunnen bijtekenen bij de mariniers. Maar hij had, zoals dat heet, ‘een  rapportje lopen’. Een akkefietje met een korporaal die hij bij zijn stropdas had gevat. ,,In tenue op zondag moest je een stropdas om. Komt er zo’n MP met een grote snor op me af, en die begint me toch te foeteren. Na een week kwam ik, zonder stropdas, hem weer tegen. Toen kreeg ik een rapportje. Man, wat een klootzak. Bijtekenen, nee, dat heb ik niet meer aangevraagd. ‘Laat ze maar stikken, die mariniers’, dacht ik. Ik was zo kwaad.’’

Want recht voor zijn raap, dat is-ie. Altijd en overal. ,,Ik ben wie ik ben, niks meer of minder dan een ander. Of ge nou dokter bent of president, ge poept uit hetzelfde gat. Ze moeten me nemen zoals ik ben.’’

Terug in Haren, dat betekende terug in het normale dorpsleven. Weer werken bij de Hartog in Oss. ,,Maar ik kon niet meer binnen werken, ik had er geen schik.’’

Jan trouwde met Marietje. Met haar had hij voor vertrek al verkering. Ze had beloofd op hem te wachten. Het stel kreeg twee dochters, acht kleinkinderen en een achterkleinkind. Ze zijn nu 62 jaar getrouwd.

De vele brieven die Marietje en hij aan elkaar schreven, hebben ze niet bewaard. Hij hield er een koninklijke onderscheiding aan over, het Herinneringskruis Nieuw-Guinea. Fier draagt hij de bijbehorende gesp op de Nationale Veteranendag.

 ,,Voor zo’n menneke als ik uit Haren was Nieuw-Guinea een hele belevenis. Best ingrijpend, dat doet wat met je. Uiteindelijk ben ik er wijzer en rijper door geworden.’’

- Nieuw Guinea -

Nederlands Nieuw-Guinea, dat honderden Papoea-stammen telde, maakte ooit deel uit van Nederlands-Indië. In 1949 werd Indonesië onafhankelijk. Maar president Soekarno wilde dat naburig gebiedsdeel dolgraag inlijven. Het laatste stukje Indië werd inzet van een slepend internationaal conflict.

Rond 1960 kreeg dat een sterker militair karakter door infiltraties van Indonesische troepen. Daar bemoeiden zich ook de Russen mee, die Soekarno materieel ondersteunden. In totaal zijn 30.000 Nederlandse militairen ingezet. Ruim honderd Nederlandse militairen sneuvelden. Hoeveel Indonesiërs, is onbekend.

In 1962 zwichtte Nederland voor de internationale druk. Nieuw-Guinea werd via de VN overgedragen aan Indonesië.

Dit verhaal is de XL-versie van een interview dat eerder verscheen in het Brabants Dagblad (opent in een nieuw tabblad). De foto's komen uit de privécollectie Jan van de Coolwijk.

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.