Mijn vader was chef bij Hartog. Daarvandaan bracht hij voor mij ieder jaar een varkensblaas mee. Samen maakten wij dan mijn rommelpot: een groot soepblik, de randjes netjes naar binnen geklopt. Daaromheen gespannen de varkensblaas, stevig vastgezet met touw (soms elastiek). In het midden een klein gaatje, waar mijn stokje (een speciaal rond stokje dat ik steeds bewaarde), doorheen kon.

Op Vastenavond mocht ik dan verkleed in mijn buurt langs de huizen gaan. Ik zong dan dit liedje:
Jan, ’t is Vastenavond
Kom niet thuis voor ’s avonds
’s avonds in de maneschijn
Als de boeren naar bed toe zijn
Dansen wij op klompen
Gekke Griet, vertel ’t niet
Onze Jan is dronken.
Ik heb zo lang met de rommelpot gelopen
En geen geld om brood te kopen
Alle bakkerei, alle bakkerei,
Geef me uw cent dan ga ik voorbij
Of unne appel of unne peer
Dan kom ik ‘t hele jaar niet meer
Ondertussen natuurlijk foekepotten, terwijl ik zong. Dan kreeg ik langs de deuren altijd snoep. Meestal gingen we met z’n tweeën, dat was gezelliger.

Dan ging de vasten in. De avond van het foekepotten (of rommelpotten) mocht ik enkele snoepjes van mijn verkregen “buit” opeten. De rest ging in mijn vastentrommeltje. Want dan mocht ik zes weken lang geen snoep meer en geen vlees.
Mijn ouders geen vlees, alcohol, sigaretten, onthouding van seks (of ze dit allemaal ook echt niet deden, wist ik natuurlijk als kind niet, haha).
De foto die we hier bij hebben gezet, komt eigenlijk uit Oirschot (c.1930). We hebben namelijk geen goede Osse foto van het foekepotten. Wie wel?
