Wanneer in 1746 buitenlandse soldaten in de Bommelerwaard gelegerd zijn, krijgen bakkers uit Oss de opmerkelijke opdracht om hun dagelijks brood te bakken. Wat volgt is een achttiende-eeuws logistiek avontuur over de Maas en Waal - inclusief doorgesneden broden, getuigenverklaringen en een smakelijke Brabantse 'broodoorlog'.

In de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) vochten Frankrijk, Pruisen en Spanje tegen de nieuwe Oostenrijkse keizerin Maria Theresia van Oostenrijk en haar bondgenoten. Omdat koning George II van Engeland tevens de keurvorst van Hannover was, vormden de Hannoveraanse troepen samen met Britse, Oostenrijkse en Staatse (Nederlandse) troepen een coalitie om de Franse opmars in de Lage Landen te stuiten. Daarbij verbleven ze tijdelijk in grensstreken en garnizoenen van de Lage Landen. Om de troepen te bevoorraden werden vaak producten van de lokale middenstand en boeren betrokken of gevorderd. Ook werd er gebruik gemaakt van de aanvoerroutes die de rivieren boden.
In twee aktes van de schepenprotocollen van Lithoijen (d.d. 11 en 20 juli 1746) lezen we dat de schippers Peter en Gerrit van der Sluijs met hun schuit vanuit Lith via de Maas en de Waal naar Zaltbommel en Neer voeren om brood te leveren aan de Hannoveraanse troepen die daar gelegerd waren. Dat deze troepen daar gelegerd waren, is niet zo opmerkelijk. Maas en Waal waren in de 18de eeuw de belangrijkste levensaders voor vracht- en personenvervoer. En het gebied rond de Bommelerwaard en Heerewaarden (met fort Sint Andries) kende een rijke militaire historie door de nabijheid van waterlinies. Het is echter meer dan opmerkelijk dat bakkers in Oss (!) de opdracht kregen om brood te bakken voor de soldaten, die gelegerd waren in garnizoenen aan de Waal.
Met brood op de boot
De reis moet de schippers over de Maas van Lith naar het fort Sint Andries hebben gebracht waar zij de oversteek konden maken naar de Waal om vandaar stroomafwaarts naar de vestingstad Zaltbommel te varen. Gedurende hun reis waren Peter en Gerit van der Sluijs geheel afhankelijk van een gunstige wind, de stroming van de rivier en de waterstand. De duur van de reis was onvoorspelbaar zodat de kwaliteit van het brood bij aankomst niet gegarandeerd kon worden. De partij broden, die de schippers naar Zaltbommel en Neer hadden gebracht, zouden van slechte kwaliteit zijn geweest. Dit werd bestreden door de Osse bakkers, met name door Hendrik van Erp, één van de bakkers te Oss. Namens de bakkers roept hij getuigen op die zijn standpunt bevestigen.
Zo leggen op 11 juli 1746 de schippers Peter en Gerit van der Sluijs een getuigenis af onder ede. Zij verklaren dat zij deze zomer in opdracht van Cornelis Spuls, president-schepen te Oss en Herman de Gester, bode van het kwartier Maasland, twee tochten haddden gemaakt met hun schuit om de Hannoveraanse troepen te bevoorraden met brood. Dit brood werd geleverd door Hendrik van Erp en andere bakkers te Oss. Op hun eerste tocht brachten zij dit brood over de Waal naar Zaltbommel. Daar hebben ze een gedeelte van het brood gelost en het overige deel op een andere boot geladen. Op hun tweede tocht hebben zij het brood geladen bij het huis van Walter van de Leut te Lith. Zij zijn met de boot naar Veen gevaren en hebben daar het brood gelost. Het brood dat ze hadden geladen en gelost was van goede kwaliteit; het was goed leverbaar en eetbaar. Ook merkten ze nog op dat ze erbij waren toen het brood in twee stukken gesneden werd om de kwaliteit te bepalen.
"Goet bequaem om te eeten"
Op 20 juli leggen nog eens vier personen een getuigenis af op verzoek van dezelfde Hendrik van Erp. Het zijn Dirk van Lieshout, Aart Jacobs de Bresser, Peter Lamers en Gerrit Peters Schuilenburg. Zij verklaren dat de partij brood, of een gedeelte daarvan, retour werd gestuurd en terugkwam in Lith. Dirk van Lieshout, die bakker was te Lith, verklaart dat hij gezien heeft dat verscheidene broden door de midden werden gesneden en dat het brood van goede kwaliteit was – "goet bequaem broot om te eeten". Dit wordt met dezelfde bewoordingen bevestigd door Aart Jacobs de Bresser. Peter Lamers verklaart dat hij een aantal broden van de partij, die aan de Hannoveraanse troepen was geleverd, door de midden heeft gesneden. Hij heeft toen vastgesteld dat het brood nog prima eetbaar was. Ook Gerit Peters Schuilenburg bevestigt als vierde getuige dat de partij brood die retour kwam te Lith nog prima eetbaar was.
Ons rest de vraag waarom juist bakkers te Oss werd gevraagd om soldaten die gelegerd waren in Zaltbommel en Neer te bevoorraden met brood en welke rol Cornelis Spuls en Herman de Gester als vooraanstaande regenten te Oss daarin speelden. De route Oss-Zaltbommel kan nu in zo’n half uur worden afgelegd. Maar in de 18de eeuw zou de route varend met een schuit over Maas en Waal best wel eens een dag kunnen duren.
Broodoorlog
Terzijde, in de achttiende eeuw veranderde het bakkersvak sterk, doordat steeds meer mensen op het platteland hun brood niet meer thuis bakten, maar kochten bij een bakker. Het werk was zwaar en leverde vaak weinig op, waardoor veel bakkers een nevenberoep hadden als tapper, winkelier of koopman. Op het Brabantse platteland werd vooral roggebrood gebakken. Witbrood en tarwebrood was meestal voorbehouden aan de rijkere stadsbewoners. Overheden legden strenge regels en accijnzen op graan en meel op, wat soms leidde tot felle concurrentie en 'broodoorlogen' tussen bakkers uit verschillende dorpen.
Bron:
ORA 7324-60, scans 550 - 554