Had ze zich haar eerste wandeling door Eindhoven anders voorgesteld? Misschien wel. In ieder geval iets minder ganzenpas-achtig, denkt Tonnie terwijl ze haar best doet om zuster Emilita, die vooraan loopt, in haar gezichtsveld te houden. Als hekkensluiter van de rij van negen meiden verdwijnt Emilita’s zwart met witte kap soms net te snel om de hoek. Gelukkig hoeft ze alleen de rest te volgen. Haar grote enthousiasme over waar ze naartoe gaan laat gelukkig weinig ruimte voor gevoelens van schaamte over hoe dit tafereel er voor de gemiddelde Eindhovenaar wel niet uitziet.

‘We waren op weg naar de bioscoop voor de film The Nun’s Story over zuster Luc.’ Tonnie — ondertussen 81 lentes jong — blikt vanuit haar comfortabele stoel terug op drieënhalf jaar als ouderenverzorgster bij de zusters in het Sint Theresiapension in Strijp. ‘Sommigen schaamden zich kapot, zo achter die zuster aan, maar ik vond dat helemaal niet erg’. De film maakte haar verwachtingen zeker waar. ‘Die is mij altijd bijgebleven. Wij zagen een mevrouw in een badkuip. Het hoofd er net nog uit en de rest zagen we niet in de kuip. En ik dacht alleen maar: “Oh, wat zien we nou?”. Daar gebeurden ook allemaal dingen, die ik meemaakte in het St. Theresia, zoals met de nonnen en patiënten. Dat vond ik erg indrukwekkend’.
Op het moment van de wandeling naar de bioscoop weet Tonnie nog niet dat Audrey Hepburn als zuster op het grote doek de enige keer zou zijn dat ze in Eindhoven komt. ‘Ik ging naar het Theresiahuis met het idee dat ik echt naar de stad zou gaan. Ik had niet verwacht dat wij daar niks zouden mogen. Dat we niks mochten doen. Dus dat viel in het begin wel tegen’. Af en toe een frietje bij de snackbar op de hoek van de straat is er later — na het vragen van permissie aan de zusters — wel bij en verder zijn de kapel en het nabijgelegen kerkhof een veel bezochte plek. ‘’Iedere ochtend moesten we naar die kapel en ‘s middags hadden wij even pauze en dan moesten wij op het kerkhof een rozenhoedje bidden. Want dat moest ook hè. Dan moesten wij ook weer achter die non aan, over het kerkhof lopen. God, ik zie het nog voor me. Overal zo tussendoor, met al die meisjes.

Dat gevoel van teleurstelling maakt al gauw plaats voor voldoening wanneer ze haar draai vindt op haar gang. ‘Ik kreeg dan, samen met één ander meisje, de taak om die dertien patiënten te verzorgen en ik voelde mij daar echt gewaardeerd. De mensen lieten écht merken dat ze blij met mijn zorg waren’. Iets wat ze vanuit thuis op de boerderij in Deurne niet gewend is. Wat ze die middag achterliet, toen ze op Eindhoven Centraal voor het eerst op de bus naar Strijp stapte, was een gezellig en warm gezin. Waar ze veel mag en vrijheid heeft om dingen zelf te ondernemen. Maar ook een gezin waar haar harde werk in huis niet altijd wordt opgemerkt. ‘Thuis moesten wij alles doen, want m'n moeder was vaak ziek omdat ze constant zwanger was en mijn jongere zus was veel jonger, dus die kon nog niet zoveel. En de rest waren jongens en daar moest ik voor lopen. Dan had ik het weleens zó in mijn rug van het poetsen, dat ik op mijn knieën de was van negen man aan het spoelen was. En mijn moeder zei nooit: “Tonnie blijf maar eens liggen”. Dat was er niet bij. En ik deed dat ook gewoon, maar dan dacht ik weleens: “Kon maar eens één keer iemand dat werk van mij overnemen” Maar dat ging natuurlijk niet’.
Oók in de stad niet overigens, maar de meiden daar zorgden onderling wel voor genoeg lol. Het uit de cel lokken van zuster Emilita bleek één goede bron van vermaak. ‘Die sliep bij ons op de slaapzaal — bestaande uit allemaal cellen langs elkaar met een bed, een kast, een wastafel en een gordijntje ertussen — en mijn vriendin Regine en ik gingen dan weleens op de bedrand staan, om over het gordijn heen te praten’. Nog mooier was het als de zuster ze dan tot stilte kwam manen. ‘Daar hadden wij het op, want wij wilden die haren weleens zien. Dat ze dan uit haar cel kwam met die kap af, dat was voor ons dan natuurlijk iets speciaals. Dus dat was heel leuk.’
Die zusters maakten die drieënhalf jaar sowieso een hele fijne tijd voor Tonnie, zuster Nicasia in het bijzonder. ‘Ik was gek op die nonnen en zuster Nicasia, bij wie ik later bij op de afdeling kwam werken, was ook altijd wel lief voor mij. Dat was keifijn. ’s Avonds ging ik nog weleens naar beneden in de hoop haar nog even te zien. En dan was ze pastoor Gelas nog aan het helpen en dan zwaaide ze. Wij hadden een héle goede band samen.’ Het bezoek dat Tonnie en haar dochters, jaren na haar vertrek uit het Sint-Theresiahuis, aan zuster Nicasia brengt, laat zien dat die band niet eindigde in Strijp.

Dit verhaal is gebaseerd op een interview van de auteur met Tonnie Manders in 2025. In dit interview vertelt Tonnie over haar verblijf bij de zusters in het Sint-Theresiapension in Strijp in de jaren vijftig. Het interview maakt deel uit van een reeks.
