Riet snelt door de entreehal van de Plantage Middenlaan 52 om een grote groep mensen welkom te heten. Het is vandaag weer ‘spreekkamer’, wat betekent dat de hele bups, de 64 zusters die Huize Sint Jacob leiden, hun familie vandaag op bezoek krijgen. Ze haast zich weer door de hal terug naar de koffiekamer — de marmeren zuilen ondertussen behendig ontwijkend — om de zojuist gearriveerde gasten van koffie, thee en koekjes te voorzien. Gelukkig is dit maar twee keer per jaar, denkt ze bij zichzelf.

'Het was eigenlijk wel het beste baantje van het Sint-Jacob’, vertelt ze nu, bijna 70 jaar later, vanuit haar boerderij in Liempde. ‘Ik werkte dus aan de Poort, zoals die plek in het huis heette, samen met een zuster en twee portiers. En die portiers waren eigenlijk ‘cliënten’, zoals ze dat nu noemen. Die waren ook in het bejaardenhuis om verzorgd te worden, maar die waren wel een beetje clever. Mijn werkplek was ook voornamelijk die geweldige entreehal. Er was dan zo’n mozaïek ingelegde vloer en aan weerskanten had je dan ook nog twee grote marmeren platen met de namen van de stichters in goud. Ja, je kwam van de boerderij, we hadden niks. En dat vond ik prachtig.'
Waar ze zich ook over verwonderde waren de Oma-weet-raad-achtige praktijken die ze daar zag. Overal weten de zusters wel een nieuwe bestemming voor. Zelfs de theebladeren van het ontbijt! ‘’s Ochtends waren die gebruikt voor zo’n 500 mensen. In plaats van dat het werd weggegooid gingen die bladeren in een centrifuge. En die werden vervolgens op de slaapzalen uitgeschud onder de bedden. Omdat ze nog half vochtig waren bleef al het stof en kleine spul aan die theebladeren kleven. Met een mooie zachte bezem werd dat dan allemaal bij elkaar geveegd op een blik en daarna ging het de vuilnisbak in. Wat een idee!'
"Ik ben misschien nog wel honderd keer in Amsterdam geweest later. Dat maakt toch een stuk van je leven”

Versleten dekens van de slaapzalen verdwijnen niet in de prullenbak, maar worden opgeknipt als poetsdoeken. En zelfs dan gaan ze niet zomaar weg, maar gaan ze naar het klophuis wat verder achteraf in het huis. ‘Daar stond een kist, met een knop voor een motortje waarmee een zuiger aanging. Als je poetsdoek onder de stofvlokken zat dan klopte je het uit in die kist en die zuiger zoog al die frutsels en rommel weg. Nou, en dan ging je weer verder met je schone poetsdoek.’

Voor veel dienstmeisjes een mooi ommetje op zo’n werkdag van zeven uur ’s ochtends tot zeven uur ‘s avonds. ‘Ik was dan koffie aan het schenken bij de Poort en dan zag ik weleens een stofdoek naar beneden vallen. Even later kwam er dan één van de meisjes die boven aan het poetsen was van de trap afgerend. En dan zei ik: “Waar ga jij naartoe?” “Ik heb de stofdoek expres naar beneden laten vallen”, kreeg ik dan terug met een lachje. Hij was dan beneden in het vies gevallen en dan kon ze meteen door naar het klophuis’.

Bejaardenverzorgster (foto met dank aan Riet Tesser-van den Boer)
En er was niet voor niets een speciale naaikamer. ‘Onze naam stond in onze kleding dus wij deden onze kleren gewoon in de was. En als er dan bijvoorbeeld een knoopje of lusje los was, dan ging het naar de naaikamer en daar bevestigde/naaide dan een zuster die dingen aan de kleding. En dan kwam het weer netjes op je bed te liggen’.
Haar oog valt op een pagina in de knipselklapper van haar tijd in Amsterdam die voor haar op tafel ligt. Tussen de papiertjes van filmbezoeken en suikerzakjes prijkt ook een knipsel van de nieuwe opleiding Bejaardenverzorgster van Huize Sint-Jacob die voor het eerst zou worden gegeven in het Sint-Jacob. Na enkele jaren bij de Poort te hebben gestaan begint Riet aan de tweejarige cursus. De negen voor ‘Psychologie’ en de achten voor de ‘Ziekteleer’ en ‘Verpleegkunde’ sieren haar rapport. ‘Dat vak over de psychologie van bejaarden was heel interessant. Dan leerden we dat mannen later vaak meer vrouw werden en vrouwen meer man. Dat mannen méér betrokken worden en vrouwen vaak juist harder. Dat zeggen ze. Of dat waar is, weet ik niet, maar daar denk ik soms nog eens aan.'
Haar start als cursist is ook het begin van meer vrijheid. Zowel in Huize Sint-Jacob — ‘we hoefden niet meer af te wassen, dat deden anderen voor ons’ — als in de stad, die ze, nu ze achttien is, vaker zonder begeleiding van de zusters in mag. Riet dompelt zichzelf voor het eerst onder in de grandeur van de populaire Heck’s Lunchroom aan het Rembrandtplein. Terwijl op zondagen de klanken van ‘Olé Guapa’ van het Malando tango-rumba orkest klinken, serveren sjiek geklede obers haar Engelse thee en croissants met jam op een zilveren dienblad. ‘Dat was enorm gezellig met die meiden, we waren echt vriendinnen. Ik heb het er enorm naar mijn zin gehad’.
Dit verhaal is gebaseerd op een interview van de auteur met Riet Tesser-van den Boer in 2025. In dit interview vertelt Riet over haar verblijf bij de Zusters van Liefde in Huize Sint Jacob in Amsterdam in de jaren vijftig. Het interview maakt deel uit van een reeks.



