Na de bevrijding volgden er arrestaties en veroordelingen van Nederlanders die mogelijk samenwerkten met de Duitse bezetter. Een van hen was een zekere Hendrik uit Amsterdam. Wie was deze man? Wat dreef hem naar het nationaalsocialisme? Waarvoor werd hij precies opgepakt? En hoe kon hij na zijn straf terugkeren in de maatschappij? Zijn persoonsdossier van de strafgevangenis in Breda schijnt licht op deze en nog veel meer vragen.

Jeugd en gezin
In het dossier van Hendrik bevinden zich twee persoonsbeoordelingen waarin veel informatie staat over hem. Zo valt er het een en ander te lezen over zijn jeugd en het gezin waarin hij opgroeide. Hendrik wordt halverwege de jaren twintig van de vorige eeuw geboren in Amsterdam en was de jongste van twee kinderen. Hij volgde daar het buitengewoon lager onderwijs en in 1942 deed hij met succes eindexamen voor het christelijke meer uitgebreid lager onderwijs (mulo).
De vader van Hendrik had moeite met het vasthouden van een baan. Na achter elkaar de eigenaar te zijn geweest van een drietal sigarenzaken, was hij halverwege de jaren twintig caféhouder. Ook dit was niet blijvend, want in een van de beoordelingen staat dat hij na het café nog een groentewijk en een rijwielstalling is begonnen. Daarbovenop raakte de vader in financiële problemen door overmatig alcoholgebruik, wat van invloed was op het hele gezin: “Het gezinsleven leed hieronder en de zaken gingen bergafwaarts.” Uiteindelijk moest hij als arbeider in diensttreden bij Werkspoor, een machinefabriek.
Uit de persoonsbeoordelingen in het dossier blijken dat de tegenslagen in zijn carrière de vader halverwege de jaren dertig naar het nationaalsocialisme dreven. De ouders van Hendrik sloten zich vervolgens in 1938 aan bij de NSB en “de beide kinderen kregen dus een opvoeding in een volkomen nationaalsocialistisch milieu.”
De oorlog
Hendrik heeft dus het nationaalsocialisme als het ware van huis uit meegekregen en het dossier stelt dan ook dat hij sterk werd beïnvloed door de nationaalsocialistische sfeer thuis. Er lijkt gesuggereerd te worden dat dit de reden was voor het pad dat hij bewandelde tijdens de Tweede Wereldoorlog.
In 1941 sloot Hendrik, dan nog een tiener, zich namelijk aan bij de Nationale Jeugdstorm (NJS), de jongerenorganisatie van de NSB. In het proces-verbaal van aanhouding dat in het dossier te vinden is, is een verklaring van Hendrik te lezen dat hij daarna in augustus 1942 vrijwillig in dienst trad bij de Nationalsozialistische Kraftfahrkorps (NSKK), een paramilitair onderdeel van de NSDAP, en daar is gebleven tot eind 1944. In deze periode heeft hij ook het bijbehorende uniform gedragen en was hij bewapend met een geweer. Hierna was Hendrik tot de bevrijding ingedeeld bij de Landwacht, een paramilitaire eenheid die als een soort hulppolitie fungeerde. Daar was hij gedetacheerd bij de Ordnungspolizei, de reguliere Duitse politie. Opnieuw droeg hij het uniform en was hij bewapend met een pistool. Over zijn precieze acties en daden voor deze organisaties, wordt niets vermeld.


Na de bevrijding
Toen de oorlog voorbij was, nam Hendrik een valse naam aan. Hij woonde in Rotterdam bij zijn verloofde en schoonfamilie en werkte daar in een garage. Hoogstwaarschijnlijk wist zijn verloofde niets af van zijn valse naam en was zij ook niet op de hoogte van zijn verleden.
Eind jaren veertig pakte de Rotterdamse politie Hendrik op voor het “als Nederlander vrijwillig in krijgsdienst treden bij een buitenlandse mogendheid wetende dat deze met Nederland in oorlog is.” Het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden. Later werd aan Hendrik gratie verleend en werd zijn straf verminderd met één jaar. Hendrik belandde in eerste instantie in Bewarings- en Verblijfskamp Crailoo in Laren en zat daarna in de strafgevangenis in Breda. De berichten over hem tijdens zijn gevangenschap waren voornamelijk positief. Er kwam zelfs een brief binnen van een man die beweerde dat Hendrik hem en zijn vrouw meerdere keren had geholpen tijdens de oorlog, onder andere toen hij had moeten vluchten en was opgepakt omdat hij “niet Arisch” was.
Terugkeer in de maatschappij
Tijdens de gevangenschap van Hendrik werd er ook al nagedacht over hoe hij na zijn straf kon terugkeren in de maatschappij. De meningen hierover verschilden. De directeur van de strafgevangenis in Breda schreef hierover het volgende in zijn persoonsbeoordeling: “Hij is voorts iemand die zich goed op de hoogte heeft gehouden van vele problemen in de buitenwereld, zodat hij zich volkomen bewust is dat er straks flink zal moeten worden aangepakt om iets te bereiken. Bij zijn ouders, die eenvoudige mensen zijn, zal hij met open armen worden ontvangen, zodat ook het probleem huisvesting geen moeilijkheden zal opleveren. Mijn overtuiging is, dat [Hendrik] zijn weg in de maatschappij best zal vinden.”

In de andere persoonsbeoordeling, opgemaakt door een rapporteur voor de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten, werd er juist heel anders gedacht over de huisvesting van Hendrik na zijn vrijlating. Daarin werd een terugkeer naar zijn ouders, die “verbitterde politieke delinquenten” waren, juist sterk afgeraden vanwege een mogelijke slechte invloed. Zijn schoonouders waren ook geen optie, nadat die zich hadden gedistantieerd van Hendrik “na te hebben ontdekt van welke eenvoudige afkomst hij is.” Zijn oudere broer wilde zich graag ontfermen over hem. Hij werd gezien als “een betrouwbaar, behoorlijk ontwikkelde, anti-nationaal-socialistische en vrome man”, die “meent dat psychiatrische behandeling van betrokkene zeer gewenst is.” Door een te klein huis van zijn broer, moest er in dit geval wel een geschikt pensionadres voor Hendrik geregeld worden.
Daarnaast waren er twijfels door de “abnormaal rijke fantasie” van Hendrik. Zo valt er te lezen: “In de jaren, dat hij in Duitse dienst was, kocht betrokkene in een winkel te Amsterdam een zogenaamd Ridderkruis, daarmede zijn Duitse superieuren in Nederland en zijn familie voorgevend, deze onderscheiding te hebben ontvangen voor een gedane redding uit een brandend huis in Duitsland. Tegenover zijn meisje en haar ouders deed hij voorkomen, van zeer gegoede, in Zuid-Amerika wonende, ouders afkomstig te zijn enz.” Verder opperde de rapporteur: “Het is niet onwaarschijnlijk, dat betrokkene enigszins erfelijk belast is door het veelvuldig alcoholgebruik van zijn vader.” Volgens de rapporteur was reclassering dan ook alleen mogelijk onder streng toezicht.
Hoe Hendrik uiteindelijk terugkeerde in de maatschappij en wat er van hem terecht is gekomen, wordt niet duidelijk uit zijn persoonsdossier.
Steeds meer stukken inzien
Vanaf 1 januari 2025 zijn nieuwe archieven in te zien want na 75 jaar vervalt voor veel dossiers de beperking van openbaarheid. De Archiefwet 1995 bepaalt dat documenten van overheidsinstellingen na twintig jaar worden overgedragen aan het historisch archief. Ruim 95 procent van de overgedragen stukken is direct in te zien.
Voor de rest geldt een beperking op de openbaarheid, meestal omwille van de privacy van nog levende personen. Over particuliere archieven maakt het BHIC speciale afspraken met de schenkers. De beperkingen gelden altijd voor een van tevoren vastgestelde periode. En daarom worden er jaarlijks nieuwe archieven openbaar. Het bovenstaand verhaal is hier een voorbeeld van en is gebaseerd op toegangsnummer 55, inventarisnummer 415.


