‘Dat wordt dan 300 gulden alstublieft’. Guusta kijkt de man achter de toonbank heel even aarzelend aan. Gaat ze dit echt doen? Haar moeder zou haar wat aandoen als ze hoort hoeveel ze voor een paar hakken heeft betaald. En wat zou Mevrouw er wel niet van vinden? Ze schudt die gedachte van zich af. Hoe vaak had ze wel niet gedacht ooit net zo’n paar hakken te kopen als die mevrouw aan de overkant van haar school altijd aan had? Voor ze het weet loopt ze een paar schoenen rijker de deur van de Eindhovense schoenenwinkel Contessa weer uit. Het is haar eigen verdiende geld, dacht ze, en niemand zou ooit hoeven te weten hoeveel ze echt hebben gekost.

‘Zij dachten dan dat die schoenen 20 gulden waren, maar dat was zeker niet’. Aan de keukentafel in haar zelfgebouwde boerderij in Budel blikt Guusta terug op haar tijd in de lichtstad. Ze werkte daar van midden jaren vijftig tot 1960 als dienstbode bij de rijke familie Claessens. ‘Als mensen bij het gezin kwamen eten, dan kreeg ik vijf gulden. Als de moeder van Meneer kwam, dat was een hele leuke vrouw, dan kreeg ik daar altijd tien gulden van. Dat geld dat ik als fooi kreeg, spaarde ik en daar heb ik die schoenen van gekocht. Ik zei gewoon dat ze een stuk goedkoper waren.’
Komend van een boerderij, waar ze heel wat bieten heeft afgedund en koren gebonden, was alle deftigheid en de afstandelijkheid van Meneer en Mevrouw echt even wennen. ‘Mevrouw was best wel een stug iemand. Ook als ik dan zag hoe zij mij met haar eigen kinderen vergeleek. Ik was toch maar “de meid” die er vooral was om schoenen te poetsen, te strijken, af te wassen en de bedden op te maken. Ze hadden daar tien kinderen en die zaten allemaal in de kamer, en ik was bijna net zo oud als sommigen van hen, maar ik mocht daar niet bij zitten. Ik moest altijd alleen in de keuken zitten, terwijl zelfs de hond in de kamer lag.’ Het belletje boven de lamp liet haar weten wanneer ze de kamer in mocht komen. ‘Dat was iedere dag om het eten te brengen, de borden af te halen en om het rozenhoedje met hen te bidden. Dat mocht dan wel samen’.
Guusta ontdekt daardoor haar passie voor handwerken. ‘Elke avond als de afwas klaar was ging ik handwerken. Uren heb ik dat zitten doen. Maar dat deed ik ook echt graag.’ Wat dat betreft kon ze haar hart ophalen in Eindhoven. ‘In het centrum waren veel handwerkwinkels. Als ik dan weleens naar huis mocht op een zaterdagmiddag, om 15:00 of 16:00 uur, dan dacht ik: “ik ga eerst nog even naar de stad”. Ik vond het ontzettend leuk om dan naar die stoffen- en garenwinkels te gaan kijken en zo. En ik was gek op mooie kleren, dus ik ging ook meteen naar die speciale zaakjes.
Hoewel alleen in huis, leert Guusta gelukkig ook een andere dienstbode kennen. ‘Vanuit Budel werkte er nog één meisje in Eindhoven, bij een ingenieur van Philips, en zij vroeg eens of ik bij haar wilde helpen serveren, toen daar een gezelschap kwam eten. Compleet met zwarte lakschoenen en wit schort waren wij die avond borden aan het afhalen. We hadden het vlees ook al klaarstaan om te serveren. Maar in de tussentijd dat wij daar in die kamer aan het serveren waren, had de hond het vlees opgegeten. Dus die gasten zaten daar en er was geen vlees meer. Toen moest zij tegen haar Mevrouw gaan zeggen dat die hond al het vlees opgegeten had. Wij zaten daar toen echt over in, maar achteraf hebben we er zo goed om gelachen.’
‘Je weet een beetje meer waar je in zo’n gezelschap moet gaan staan’, zo leert haar tijd bij de familie Claessens haar over zichzelf. ‘Ik ken mijn plek. Ik ga niet ergens voorop staan waar ik niet hoor’. Iets wat ze ook niet vergeet wanneer ze zelf kinderen krijgt. ‘Drie van hun kinderen studeerden al aan de universiteit. Ik heb daar gezien wat een goede opleiding je kon brengen en daardoor ben ik in de opvoeding van onze eigen kinderen school erg belangrijk gaan vinden. Waar mijn man was van: “Trek je oude kleren maar aan, dan gaan we het land op”, heb ik altijd gezegd: ‘Eerst huiswerk maken! Eerst die opleiding en dán werken. Dan kun je straks met een computer gaan werken en geld gaan verdienen’.
Dit verhaal is gebaseerd op een interview van de auteur met Guusta Roefs-van de Berg in 2025. In dit interview vertelt Guusta over haar jongere jaren als dienstbode in Eindhoven in de jaren vijftig. Het interview maakt deel uit van een reeks.
