Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Van overalls in Vinkel naar bontjassen passen in Amsterdam

Van overalls in Vinkel naar bontjassen passen in Amsterdam

Xia van Beuningen

25 maart 2025

Bijgewerkt op 25 maart 2025

‘Wat denk je, zou ik hiermee thuis mogen komen?’, vraagt Sjaan aan haar vriendinnen. Ze draait een rondje, de net aangetrokken jas bijna over de vloer slepend. Ze bekijkt zichzelf in de spiegel en ziet dat alleen haar hoofd nog boven het dikke bruine bont uitsteekt. Naast haar zijn Jeanne en Koos in net zo’n vacht gehuld. Ze zijn deze hele zondagmiddag al door Amsterdam op pad. Sjaan weet niet of ze zich nu zo goed voelt doordat ze de jas stiekem leuk vindt staan, of doordat ze gewoon veel plezier heeft deze middag. Bij het zien van het prijskaartje besluit ze hem toch maar weer terug te hangen. Ze lopen weer door. Dat kan hier gewoon, hier kennen ze haar toch niet.

Sjaan samen met de andere dienstmeisjes die de Bejaardenhelpster opleiding volgden. Bovenste rij v.l.n.r.: Koos Arts, Sjaan van de Ven, Jeanne Verdonschot, Annie Schel en Annie van de Ven. Onderste rij v.l.n.r.: Annie van Lokven, onb. en Riek Romme (Bron: privécollectie Annie Hendriks- Schel)

‘Het waren echt allemaal goeie deerns, dat was altijd gezellig’, zegt Sjaan meteen, als haar wordt gevraagd wat haar na bijna 70 jaar het meest is bijgebleven uit haar zeven jaar in Huize Sint-Jacob in Amsterdam. ‘Als we vrij waren gingen we dus vaak de stad in om die bontjassen of kleding te passen. Maar toen ik begon met die opleiding Bejaardenhelpster in 1956 heb ik ook heel veel met die meiden in Artis tegenover Huize Sint-Jacob zitten leren. Na werktijd zaten we dan met z’n allen in de recreatiezaal. Daar heb ik heel veel eenpersoons bedspreien gehaakt met van die vierkantjes. Maar dat was veel werk, dus dat deed ik dan samen met wat zusters die in die zaal bij ons zaten. Ik haakte de vierkantjes en de zusters maakten ze dan aan elkaar.’

Zo loopt ze nog door de Kalverstraat en zo rijdt ze weer op de fiets door de polder, met een overall aan en een rode zakdoek op haar hoofd gebonden. Na een jaar in Amsterdam moet ze door ziekte een tijdje terug naar de boerderij in Vinkel. ‘In die weken dat ik thuis was ging ik wel gewoon mee naar het veld, want klink-riemen — of te wel, niets doen — dat bestond niet. Thuis leek alles heel klein. Het Sint-Jacob was heel groot, met drie etages hoog en op de boerderij hadden we één gang en één WC’. Zodra het beter gaat, lonk Huize Sint-Jacob dan ook weer. ‘Ik had daar echt goeie schik.’

“Ik heb er echt schik gehad. Mijn leven gehad. 7 jaar lang.”

Maar in het Sint-Jacob was het naast de gezelligheid ook aanpoten. ‘Als je vroeg dienst had begon je ’s morgens om 06:00 of 07:00 met het legen en schoonmaken van de po’s van de ouderen. Op de nuchtere maag. En dat van vijf zalen met wel twaalf bedden en dan moest je die po’s ook uit elkaar zien te houden. Daarna naar de kerk voor de mis en dan was het door naar de afdeling. Het brood klaarmaken voor de mensen en hen koffie en thee schenken. Bedden opmaken en de zalen poetsen. Ik heb wel altijd liever op de heren- dan op de damesafdeling gestaan, want de heren gingen altijd goed opzij en de dames bleven zitten en bemoeiden zich overal mee. Eén keer in de week moesten we ook alle bedden verschonen, maar dan deden we gewoon het voeteneind naar het hoofd en andersom. En iedere avond om 17:00 het lof en daarna door naar het avondeten verzorgen. Omdat je ’s ochtends soms ook mensen dood op bed kon aantreffen, moest je ook weleens de lijkkapel in. Daar mocht je dan niet van schrikken. In die kapel lagen dan een stuk of vijf lijken, maar ik was niet bang. Al hadden ze mij daar drie uur opgesloten, dan had ik daar nog niets om gegeven.’

De recreatiezaal van de bejaardenhelpsters in het Sint-Jacob (bron: privécollectie: Annie van Zandvoort-van Lokven)

Eind jaren 50 gaan steeds meer van Sjaans vriendinnen terug naar Brabant en komen er langzaam steeds meer dienstmeisjes uit Amsterdam voor in de plaats. ‘Daar was hélemaal niks aan. Pas als wij al die po’s hadden verschoond, kwamen die Amsterdamse meiden, om 09:00 uur, als het werk klaar was. En 's avonds om 17:00 uur gingen die weer naar huis. Voor ons begon het werk toen weer, want dan moesten de mensen eten hebben. Maar wij wisten ook wel beter dan zij wat werken was. Wij tilden altijd de mensen zelf uit bed, want toen waren er nog geen liften. En ik heb ook weleens ’s nachts de vloer lopen boenen. Wij durfden ook niks te zeggen, want we waren bang dat ze naar huis zouden bellen en dat je thuis op je sodemieter kreeg. De Amsterdamse meiden zeiden dan: “We komen morgen weer terug”. Ook al moest er nog iets gebeuren. Toen was ik het zo beu.’ Na zeven jaren vol ‘goeie schik’ besloot Sjaan daarom in 1960 om weer terug naar Brabant te gaan.

Dit verhaal is gebaseerd op een interview van de auteur met Sjaan Dobbelsteen-van de Ven in 2025. In dit interview vertelt Sjaan over haar verblijf bij de Zusters van Liefde in Huize Sint Jacob in Amsterdam in de jaren vijftig. Het interview maakt deel uit van een reeks.

Ga hier naar alle interviews

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.