Sjan zit aan de keukentafel in haar met licht overgoten serre. Met uitzicht op haar perfect onderhouden gazon, omringd met kleurrijke planten. Voor haar op tafel ligt een zwarte klapper met insteekhoezen gevuld met knipsels uit haar tijd in Den Haag. Het is ruim zestig jaar geleden sinds ze haar dienstbode bestaan daar in de Van Hogenhoucklaan 103 achter zich liet, maar helemaal weg is ze er nooit. De blinkende deurklinken in haar huis in Schaijk zijn daar het bewijs van.

Sjan zit aan de keukentafel in haar met licht overgoten serre met uitzicht op haar perfect onderhouden gazon, omringd met kleurrijke planten. Voor haar op tafel ligt een zwarte klapper met insteekhoezen gevuld met knipsels uit haar tijd in Den Haag. Het is ruim zestig jaar geleden sinds ze haar dienstbode bestaan daar in de Van Hogenhoucklaan 103 achter zich liet, maar helemaal weg is ze er nooit. De blinkende deurklinken in haar huis in Schaijk zijn daar het bewijs van.
Mevrouw heeft mij daar ‘netjes leren poetsen’: niet met de Franse slag, maar ieder hoekje en kiertje, ook waar je niet vaak hoefde te zijn. Hoe vaak ze die klinken wel niet heeft gepoetst bij het elfkoppige gezin Oomen. ´Dat was zo’n statig herenhuis, driehoog en dan kwam je in een hele lange gang. Links van de gang had je een grote voorkamer. Rechtdoor had je de keuken. Links van de keuken had je een grote huiskamer. Rechts, naar beneden ging je naar de kelder. De trap op had je een… twee… drie grote kamers. Nog eentje daarboven had je ook weer drie grote kamers. Ieder kiertje. En Dat doe ik nu nog steeds.’
Het herenhuis weerspiegelt de sociale laag waar Sjan voor acht jaar in terechtkomt. Een laag waar ze vier soorten bestek langs het bord moet leggen met het tafeldekken; waar ze niet ‘rikken’ maar ‘bridgen’ en een waar ze haar Brabantse tongval moet inruilen voor ‘net Nederlands praten’. ‘Maar ze lieten mij niet merken dat ik de hulp was en werd bij het bezin betrokken. Ik was gewoon één van hen en deed mee spelletjes na werktijd. Normaal zat ik ook altijd aan tafel mee te eten. Alleen als er visite was, dan mocht ik niet aan tafel zitten, maar moest ik in de keuken eten.
‘Ik heb daar gewoon iets geleerd. Geleerd voor het leven gewoon.’
In de vrije tijd wordt Den Haag haar proeftuin om haar vrijheid te ontdekken. Met haar zelf verdiende geld op zak gaat ze voor het eerst naar een echte kapper in de stad. En met haar vriendinnen Ans en Wies, die ook bij een gezin in Den Haag ‘dienen’, gaat ze regelmatig met de tram naar het centrum op zoek naar een lipstick of panty’s. Of naar het plein om daar met Koninginnedag te gaan openluchtdansen. Maar het vaakst vinden ze hun weg naar het buurthuis. ‘En daar waren meer meiden. Brabantse meiden ook wel, of iemand uit Friesland en iemand uit Groningen. Die kwamen daar samen na werktijd om gezellige dingen te doen. Daar werd dan ook weleens een film gedraaid.'
Dat het thuisfront ook een oogje in het zeil hield merkt Sjan als op een ochtend de bel gaat. ‘Pap, jij hier?’ Haar vader heeft er lucht van gekregen dat ze in Den Haag uit was geweest en daar mensen had ontmoet. Jongens om precies te zijn, want die kwamen ook weleens naar het buurthuis. Hij is vanuit Geffen overgekomen om verhaal te halen. ‘Het was meer gewoon om je er weer even aan de herinneren van: “Weet wel waar je mee bezig bent”, maar niet straffend. Toen waren er geen pil en andere voorbehoedsmiddelen, dat zal het wel geweest zijn. Maar die hadden wij niet nodig, want zover kwam het niet.’
Den Haag laat haar die vrijheid steeds een beetje meer toe-eigenen. ‘Je wordt op jezelf teruggeworpen. Je moet voor jezelf opkomen en zelf de beslissingen nemen’. Wanneer de liefde haar in 1960 weer terughaalt naar de boerderij in Geffen, is het dan ook niet zo makkelijk om die vrijheid ook weer op te geven. ‘Doordat ik die vrijheid gewend was, liep ik toen ik weer thuis was wat minder graag weer mee in het lijntje. Als dan de bieten eruit moesten en de aardappels moest ik eigenlijk ook gewoon meehelpen, maar als er dan een klusje met de naaimachine was dan wilde ik dat veel liever doen. En dat kon ook wel hoor’. Ook buiten de boerderij was het weer even wennen, zoals mensen die haar gedag zeggen op straat. ‘Dat is toch dorps, dat is niet stads. Die omgangsvormen zijn anders. Hier groet je elkaar en praat je met iedereen aan, dat doen ze in de stad echt niet’.
Terwijl Sjan door de knipselklapper bladert valt haar oog op de kaarten die zij en het gezin met Oud en Nieuw over en weer stuurden. Ze hebben nog lang contact gehouden. ‘Toen ik trouwde is meneer Oomen ook nog op de receptie geweest. Ik herinner mij uit die tijd dan ook vooral dat hele gezellige gezin’. Wanneer ze enkele jaren geleden met haar dochter langs haar oude werkplek rijdt — ‘Ik dacht: nu we dan toch in de buurt zijn’ — doet het haar goed om te zien dat de Hoge Houcklaan nog veelal hetzelfde is: ‘Het was net alsof ik weer terug was: de groenteboer, de slager en de drogist, alles nog hetzelfde. Ik dacht alleen: ze zullen inmiddels wel nieuwe gordijntjes hebben opgehangen’.
Dit verhaal is gebaseerd op een interview van de auteur met Sjan Matthijsen-van Dinther in 2025. In dit interview vertelt Sjan over haar jongere jaren als dienstbode in Den Haag in de jaren vijftig. Het interview maakt deel uit van een reeks.
