Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Van zorg tot zitting: Dierenbescherming in de rechtbank van ’s-Hertogenbosch in de negentiende eeuw

Van zorg tot zitting: Dierenbescherming in de rechtbank van ’s-Hertogenbosch in de negentiende eeuw

Meie Urselman

15 juli 2024

Bijgewerkt op 15 juli 2024

In de archieven van het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) zijn talloze vonnissen te vinden van uiteenlopende delicten uit de afgelopen eeuwen. Een vaak over het hoofd gezien delict is dierenmishandeling. Ook is er weinig bekend over de diverse dierenbeschermingsorganisaties die in de negentiende eeuw werden opgericht. Hoe hebben deze organisaties, vooral de Dierenbescherming, invloed gehad op de vonnissen in de rechtbank van ’s-Hertogenbosch tussen 1861 en 1900?

Paard en wagen met klompen op de markt, ca. 1910 (BHIC, collectie Andries Nielen, fotonummer DCVAR-000829)
Wagen met klompen op de markt, ca. 1910 (BHIC, collectie Andries Nielen, fotonummer DCVAR-000829)

Ontwikkelingen Dierenbescherming

Vanaf het midden van de negentiende eeuw werden verschillende dierenbeschermingsorganisaties in Nederland opgericht. Een van de bekendste is de 's Gravenhaagsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren, opgericht op 25 augustus 1864, wat later de Dierenbescherming werd. De organisatie richtte zich aanvankelijk op het verbod op trekhonden, verbetering van de omstandigheden voor paarden, betere slachtvoorschriften en het verbod op het couperen van oren en staarten bij honden en paarden.

In 1869 dienden diverse dierenbeschermingsorganisaties een verzoek in bij koning Willem III voor een wettelijke bepaling tegen dierenmishandeling. Hoewel dit aanvankelijk zonder resultaat bleef, werd dierenmishandeling uiteindelijk in 1886 opgenomen in het Nederlands Wetboek van Strafrecht. Deze opname omvatte een algemeen verbod op dierenmishandeling en een specifiek verbod op het overbelasten van trekdieren.

Voorafgaand aan deze mijlpaal werden al enkele wetten ingevoerd. In 1875 maakte de Wet op de hondsdolheid het mishandelen van honden en katten strafbaar bij de bestrijding van hondsdolheid. In 1880 werd de Wet tot bescherming van diersoorten nuttig voor landbouw en houtteelt aangenomen, die bepaalde zoogdieren en vogelsoorten beschermde.

In de periode tussen het verzoek en de opname van dierenmishandeling in het Wetboek van Strafrecht, zijn er pogingen geweest om een landelijke organisatie op te richten en de Dierenbescherming uit te breiden. In 1877 sloot Rotterdam zich aan bij de Dierenbescherming en de organisatie breidde zich uiteindelijk uit over heel Nederland. Noord-Brabant stond in 1888 op de vierde plaats qua aantal leden binnen de organisatie.

Dierenmishandeling in de rechtbank

Zijn deze nieuwe wetten terug te zien in de rechtbank? Zeker vanaf het opnemen van dierenmishandeling in het Wetboek van Strafrecht in 1886 zijn er veranderingen te zien in de vonnissen. Niet alleen in het aantal vonnissen, maar ook het soort dieren dat in de zaken naar voren komt, verandert.

Vanaf 1887 is een duidelijke piek te zien in het aantal vonnissen over dierenmishandeling in de rechtbank van ’s-Hertogenbosch. Deze toename is goed te verklaren door de nieuwe wet uit 1886 waarbij dierenmishandeling strafbaar werd. Opvallend is dat de eerdere wetten uit 1875 en 1880 geen vergelijkbaar effect op het aantal vonnissen lijken te hebben gehad. Daarnaast zijn er in de jaren 1893, 1894, 1896 en 1897 ook pieken te zien in het aantal vonnissen in de rechtbank van ’s-Hertogenbosch. Deze jaren vertonen geen directe verbanden met nieuwe wetgeving, maar kunnen worden verklaard door de groei van de bevolking, industrialisatie en verstedelijking in de negentiende eeuw. Daarnaast waren er veel zorgen onder de bevolking voor de sociale orde. In de vonnissen is te zien dat hier naar terug wordt gegrepen door te benoemen dat de mishandelingen op de openbare weg hebben plaatsgevonden.

Grafiek van aantal vonnissen per jaar, gebaseerd op Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) Rechtbank in 's-Hertogenbosch, 1838-1930 N.B. Stukken van 1838-1989 (24), Arrondissementsrechtbank ’s-Hertogenbosch 1839-1929, inv.nrs. 70-360
Aantal vonnissen per jaar, gebaseerd op Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) Rechtbank in 's-Hertogenbosch, 1838-1930 N.B. Stukken van 1838-1989 (24), Arrondissementsrechtbank ’s-Hertogenbosch 1839-1929, inv.nrs. 70-360

1886 markeert een omslagpunt, niet alleen in het aantal vonnissen, maar ook in de soorten dieren die mishandeld werden. Voor 1886 waren paarden en andere boerderijdieren vaak de slachtoffers van mishandeling, maar vanaf dat jaar zijn honden de grootste slachtoffergroep. De groei in zaken tegen hondenmishandeling vanaf 1886 kan te maken hebben met het gebruik van honden als trekhonden. De wet uit 1886 was gedeeltelijk gericht op het te zwaar belasten van trekdieren, maar veel vonnissen gaan over het slaan of schoppen van de dieren.

Veranderende straffen

De straffen voor dierenmishandeling varieerden sterk tussen 1861 en 1900. In de periode 1861-1885 resulteerden de meeste zaken in gevangenisstraffen. Van de veertien vonnissen betroffen er acht gevangenisstraffen, drie geldboetes en drie vrijspraken.

Na 1886 wisselden gevangenisstraffen en geldboetes elkaar af zonder een duidelijke lijn. In jaren met veel vonnissen, zoals 1887, 1893, 1894, 1896 en 1897, waren er veel verschillen te zien in de soorten straffen. Het ene jaar werden veel geldboetes uitgedeeld, terwijl dit het jaar daarvoor andersom was.

Markt in Veghel, c. 1915-1918. Op de voorgrond een trekhond met wagen, verder ook trekpaarden bij hun wagens (BHIC, Collectie Harry van Liempd, fotonummer 1915-003346)
Markt in Veghel, c. 1915-1918. Op de voorgrond een trekhond met wagen, verder ook trekpaarden bij hun wagens (BHIC, Collectie Harry van Liempd, fotonummer 1915-003346)

In de eerste periode varieerden de straffen sterk afhankelijk van de diersoort en de ernst van de mishandeling. Bijvoorbeeld in 1877 kregen Jan Smits en Cornelis van Hulten acht dagen gevangenisstraf voor het mishandelen van een paard. In 1881 kreeg Cornelis van Dielen een geldboete van 8 gulden voor het mishandelen van een kat. In deze twee voorbeelden gaat het om dezelfde daad die deze heren hebben verricht, maar kregen erg verschillende straffen. Wat verder opvallend is aan deze twee zaken, is op welke manier de mishandeling wordt omschreven in de vonnissen. Zo wordt bij Van Dielen alleen benoemd dat hij de kat heeft mishandeld terwijl hij dronken was, maar wordt er verder niet ingegaan op wat hij deze kat precies heeft aan gedaan. Bij Smits en Van Hulten komt dit wel duidelijker naar voren. In de vonnis is te lezen dat zij een zwarte merrie hebben geslagen, gestoten, verwond en vervolgens met een mestvork het paard hebben gestoken.

Na 1886 lijken de straffen consistenter te worden. Zo leken de straffen voor het mishandelen van een hond meer op een geldboete van tussen de 5 en 15 gulden. In het algemeen bleken grotere dieren zoals paarden zwaardere straffen met zich mee te brengen, een trend die door de hele onderzoeksperiode zichtbaar bleef. Hierdoor konden de straffen uiteenlopen van enkele dagen gevangenisstraf tot hogere geldboetes, afhankelijk van de context van de mishandeling.

Literatuur en bronnen

  • Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) Rechtbank in 's-Hertogenbosch, 1838-1930 N.B. Stukken van 1838-1989 (24), Arrondissementsrechtbank ’s-Hertogenbosch 1839-1929, inv.nrs. 70-360.
  • Davids, K., Dieren en Nederlanders: Zeven eeuwen lief en leed (Utrecht 1989).
  • De Bordes, E., Dieren in het geding: Een juridisch-historische analyse van het verbod op dierenmishandeling (Utrecht 2010).

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.