Wie was de ‘wonderbaarlijke’ Eligius van den Aker en hoe zit het met de legende van het Heilig Bloedwonder? Karel van den Aker en Nettie v.d. Langenberg-Scheepers doken diep in de archieven en schreven een wetenswaardig artikel. “Wij vinden het belangrijk om bij onderzoek in de geschiedenis zoveel als mogelijk aan waarheidsvinding te doen. Maar wel met respect en begrip voor de daden van de mensen van toen. Dus zonder de kennis van nu, te oordelen over de gebeurtenissen van toen”, zeggen de auteurs.

Priester Eligius van den Aker is onlosmakelijk verbonden met de legende van het H. Bloedwonder. Dat zou vóór 1380 hebben plaatsgevonden op het Driekoningen-altaar van de Sint Petruskerk in Boxtel. Het verhaal gaat dat Eligius tijdens het opdragen van de H. Mis de geconsacreerde kelk met witte wijn omstootte, waarna er rode vlekken op de corporale, het altaardoek, ontstonden. (Pas vanaf de 17de eeuw wordt in de literatuur over twee altaardoeken gesproken).
Eligius trachtte tevergeefs de vlekken uit te wassen en pas op zijn sterfbed, in 1380, zou hij verteld hebben hij wat er had plaatsgevonden. Onder leiding van Willem van Merheim, toenmalig heer van Boxtel, vertrok een delegatie ‘betrouwbare mannen’ naar Frankfurt am Main, waar aan het hof van koning Wenceslaus, de pauselijke gezant kardinaal Pileus de Prata, resideerde. Deze bevestigde het wonder en gaf in een Diploma toestemming om eenmaal per jaar de corporale aan de gelovigen te tonen.

Dit is het begin van de traditie rond de Heilige Bloedprocessie die jaarlijks op Drievuldigheidszondag in Boxtel plaatsheeft. Ter ere hiervan prijkt heden ten dage Eligius zijn standbeeld naast de Petrus Basiliek in Boxtel. Op 15 juni dit jaar is het precies een eeuw geleden dat de corporale terugkeerde naar Boxtel.
Het zou mooi zijn als alle relicten van het H. Bloedwonder weer zouden terugkeren naar de bron, Boxtel, de plaats waar alles ooit begon. “En daarom hopen we dat de traditie van het Heilig Bloedwonder nog lang mag voortbestaan", stellen Karel van den Aker en Nettie v.d. Langenberg-Scheepers.

