Dat het drinken van bier in de middeleeuwen in plaats van water nodig was wegens de slechte drinkwaterkwaliteit berust op een wijdverspreid misverstand. Dat bier een belangrijke volksdrank was staat echter wél vast. Dat gold niet alleen voor de burgerij. In het kerkelijke leven werd eveneens bier gedronken. In de kloosters werd het meestal zelf gebrouwen. Ook de Abdij van Berne brouwde haar eigen bier.

De Abdij van Berne werd in 1134 gesticht op het goed Bern, nu een gehucht ten noordoosten van Heusden. Het was gelegen in het graafschap Holland en het bisdom Utrecht. In het verleden was Bern vanuit Heusden te voet bereikbaar. Sinds 1904 is het ervan gescheiden door de gegraven Bergse Maas. In 1958 is Bern van de provincie Noord-Brabant overgeheveld naar Gelderland.

Van de bierproductie uit de oudste tijden is weinig bekend. De abdij produceerde bier voor eigen consumptie. De eerste vermelding daarvan dateert uit 1532. Claes Berendsen was toen in dienst van de abdij als brouwer. Wellicht gebruikte hij voor zijn brouwsels water uit de grote abdijput die midden op de pandhof stond en tot op de dag van vandaag het enige overblijfsel van de abdij ter plekke is. Hij woonde in het kamertje naast het brouwhuis. Behalve inwoning was hij ook bij de abdij in de kost. Blijkbaar beviel het abdij-eten hem uitstekend: in zijn testament bedacht hij immers twee koks van de abdij, die net als hijzelf leken, dus geen kloosterling, waren.
Tussen Bern en Heeswijk

(uitsnede uit een portret van abt Van Malsen).
Aanvallen van de Geuzen in 1572 dwongen de kloosterlingen de wijk te nemen naar hun refugiehuis in Brabant, in de Sint-Jorisstraat in Den Bosch. Het brouwen in de oude abdij zal toen wel gestopt zijn. Na de val van de stad in 1629 namen de abdijheren hun intrek in het kleine kasteeltje van de abdij in Heeswijk, waar de pastoor van Heeswijk, ook een norbertijn, zijn verblijf had. Tussen 1629 en 1648 woonden ze deels in de oude abdij en deels in Heeswijk.
Het complex in Heeswijk bestond uit twee delen. Het geheel was met grachten omgeven. Hierbinnen lag het eigenlijke slotje, woonplaats van de pastoor, omringd door eigen grachten. Op het terrein buiten het slotje maar binnen de grachten (met een groot woord: de voorburcht) lagen dienstgebouwen, onder andere een boerderij en een brouwhuis.
Abt Jan Moors

In die moeilijke tijden stond de abdij onder leiding van abt Jan Moors. Hij regeerde als abt vanaf 1621 tot aan zijn dood in 1641. De belangrijkste dagelijkse gebeurtenissen tekende hij aan in zijn dagboeken (memorialen). Twee ervan zijn bewaard gebleven. Ze beslaan de periode 15 november 1634 tot 31 december 1639. Ze zijn sinds kort beide in het Nederlands vertaald en via het BHIC beschikbaar gesteld op internet. Jan Moors beschreef daarin alle voor hem belangrijke zaken. Een groot deel gaat over zijn strijd tegen de Staten van Holland om de eigendom van de abdijgoederen. Maar ook alledaagse zaken van de abdij komen aan bod. Hoewel hij zelf en zijn gasten vooral (Franse) wijn dronken, had hij ook aandacht voor het abdijbier dat in Heeswijk op het voorplein bij het slotje gebrouwen werd.
Abdijbier in Heeswijk

van Berne, handschriften, 1400-1900, nr. 77 )
Het lijkt erop dat de kloosterlingen in Heeswijk zelf brouwden. Dat zal dan werk voor de lekenbroeders geweest zijn. Nergens staat vermeld dat er een brouwer van buitenaf of als personeelslid bij betrokken was. Een van de brouwketels (misschien de enige) had de abt in 1631 te leen gekregen van de heer van Heeswijk en was afkomstig van diens kasteel daar. Misschien is dat het begin van de brouwactiviteiten van de abdij in Heeswijk. De relatie tussen de abt en de heer (alsmede diens ambtenaar, de drost) werd gaandeweg steeds slechter. Op 11 maart 1638 eiste de drost daarom de brouwketel van zijn heer terug. In 1637 voelde de abt de bui vermoedelijk al hangen en had hij geprobeerd eigen brouwgereedschap te kopen in Heusden. Pas in mei 1639 slaagde hij daarin. De koperen brouwketel die hij toen kreeg, liet hij zolang in de oude abdij in Bern opslaan.
De kloosterlingen brouwden twee soorten bier: gewoon bier (cerevisia communis) en goed of dubbel bier (cerevisia bona, cerevisia duplex). Gewoon bier werd in hoeveelheden van zeven tot tien aam (vaten, tonnen) gebrouwen. Uitgaande van 1 aam = 155,2 liter komt dat neer op 1086 tot 1552 liter per brouwsel. Goed of dubbel bier leverde per brouwsel vijf of zes aam op, dus 776 of 932 liter. Daarmee was het een kleine brouwerij, voor eigen gebruik. De commerciële brouwerijen in die tijd produceerden per brouwgang al gauw 3000 liter. In de kelder als koele opslagplaats kon het bier een tijdje bewaard worden. Hoewel we niet weten of de abt alle brouwsels in zijn dagboek aantekende, kunnen we wel stellen dat er maandelijks gebruik werd gemaakt van de brouwerij. Het bier zal ter plekke gedronken zijn afgezien van langstrekkende legertroepen die bier eisten, en de pastoor van Berlicum, die af ten toe een tonnetje kreeg.
Brand in de brouwerij
Op 18 september 1638 kreeg de abt het bericht dat de brouwerij in Heeswijk was afgebrand. Hij was op dat moment voor zaken in Brussel. De brand was veroorzaakt door het drogen van hop. Naast het gebouw was ook de inboedel voor een deel verloren.

Gelukkig was de koperen brouwketel van de heer ongeschonden gebleven en kon die, zoals de drost geëist had, teruggebracht worden naar het kasteel. Ter vervanging polste de abt of de heer van Berlicum misschien een ketel voor hem te leen had. Toen dit geen resultaat had liet hij een koperslager in Oisterwijk uit twee brouwketels één nieuwe maken. Daarvoor liet hij de brouwketel die hij nog in de oude abdij had, naar Oisterwijk brengen. Op 22 augustus 1639 werd de nieuwe ketel in Heeswijk afgeleverd.
Een houten brouwkuip, ook te leen van de heer, had de brand niet overleefd. Huibert, een kuiper uit Sint-Oedenrode, kreeg op 27 april 1639 opdracht van de abt twee nieuwe kuipen te maken. Ze zouden eind juni klaar zijn. Het duurde allemaal wat langer dan voorzien. Maar op 16 september kon de abt broeder Balthazar met de kar naar Sint-Oedenrode sturen om daar een kuip op te halen. Op 10 oktober konden de kloosterlingen voor het eerst brouwen in de nieuwe brouwerij. De metselaar kreeg twee dagen later zijn loon, waarmee het laatste deel van het bouwproject afgerond was. We weten niet hoe lang ze plezier van hun brouwerij gehad hebben. Een maand later kondigde de nieuwe overheid een verbod uit op brouwerijen rond Den Bosch. Mogelijk had dit onder meer te maken met belastingvrijstelling op bier, die kloosters vaak genoten.
Ingrediënten, recepten en smaak
Over de ingrediënten die gebruikt werden is zo goed als niets bekend. Graan en water waren de basis. De abdij teelde zelf graan, kreeg het als onderdeel van de pacht van boerderijen en grond en kon het inkopen. In vroegere tijden kreeg de abdij graan via de tiendrechten die ze op vele plaatsen bezaten. In de zeventiende eeuw verpachtte de abdij dit recht in de regel tegen een geldsom. Gerst is het meest geschikt als grondstof. De hop die als noodzakelijk bestanddeel voor bewaring en smaak werd toegevoegd, werd zowel in het oude Berne als bij het kasteeltje in Heeswijk geteeld. Gruit, een mengsel van kruiden dat voorheen gebruikt werd bij de bierproductie, was sinds de vijftiende eeuw in onbruik geraakt. Het afval van de brouwerij (bostel) kon gebruikt worden als veevoer.

Betrouwbare recepten zijn nergens bewaard gebleven. De twee soorten bier die in Berne gebrouwen werden waren dubbel en gewoon bier. Het dubbele of goed bier zal aan de abt en zijn gasten geschonken zijn, het gewone was bestemd voor de kloosterlingen. Kleinbier of nabier was lichter en minder smaakvol. Er ging minder graan in het brouwsel of het werd gebrouwen van bezinksel van de eerste brouwgang. Dit resulteerde in een slapper bier. In Berne werd het voor zover we weten, niet gebrouwen. De houdbaarheid van de bieren zal enkele maanden bedragen hebben, mits het vat niet aangebroken werd.
Slechts bij benadering zijn de alcoholpercentages van deze oude bieren bekend. Het goedbier kwam op ongeveer 6%, het gewone op 3% en het kleinbier op 0,5 tot 2%. Het bier was donker van kleur en troebel. Het smaakte vrij zoet en was zelfs wat stroperig. Die laatste karakteristiek vinden we terug in het bier dat de monniken van de Abdij van Mariëndonk buiten Heusden vanaf 1470 bij de avondmaaltijd tijdens de Vasten te drinken kregen: goed, dik bier. Het is niet bekend of dit een eigen brouwsel was. Een schuimkraag kenden de oude bieren nog niet: uit de open brouwkuipen verdween het koolzuurgas.
Na 1648

Berne in Heeswijk, gemaakt door pater
Gerlacus van den Elsen, eind negentiende eeuw
(Abdij van Berne te Heeswijk, Archief 1857-1968, inv.nr. 313)
De Vrede van Münster uit 1648 had tot gevolg dat alle bezittingen van de abdij overgingen naar de Staten van Holland. Het convent week naar het zuiden uit en vestigde zich in Vilvoorde bij Brussel. Wel mochten de abten nog geruime tijd gebruik blijven maken van hun verblijf in Heeswijk. Of daar nog ooit bier gebrouwen werd weten we niet.
Toen de kloosterlingen in 1857 in Heeswijk weer in kloosterverband gingen leven, was er nog een herinnering aan een gebouwtje aan de rand van het complex tegen de buitengracht aan langs de huidige Abdijstraat. Abt Manni (abt van 1859 tot 1867) noteerde dat nr. 23 en 25 op de plattegrond in het begin van de negentiende eeuw een schuur was, brouwerij geheten, waarin nog een brouwketel bewaard werd.

Pater van den Elzen (1853-1925) noemde nr. 23 de plaats van de “oude brouwerij”. Weer anderen meenden dat de brouwerij gestaan had op nr. 24. Mogelijk waren dit de relicten van de brouwerij die abt Jan Moors met zoveel energie gebouwd had. De kadasterkaart van ca. 1830 geeft op het voorterrein van de abdij alleen de oude boerderij aan. Toen de norbertijnen in Heeswijk gingen wonen werd er in ieder geval geen bier meer gebrouwen.
Bernebier in de eenentwintigste eeuw

Ook tegenwoordig wordt er geen bier meer gebrouwen bij de abdij. Maar voor bezoekers staat in het proeflokaal op het abdijterrein een heel assortiment aan Berne abdijbieren klaar.
Meer over abt Moors en zijn dagboek
Bronnen:
- Dagboeken van Abt Moors:


