Vervolg van de gebeurtenissen opgetekend vanuit de oude schoutsrekeningen uit de 14e 15e en 16e eeuw op basis van de items kerken, kapellen, kloosters en geestelijken.
Vagebond
Een zekere Everart Janssen blijkt een vagebond te zijn die rondzwierf in kwartier Peelland waar bij alles behalve bekend stond als een trouwe volgeling van Gods kerk. Nee… hij raakte zijn slechte naam niet meer kwijt in die regio. Op een dag werd hij aangehouden door de schout, meteen gearresteerd en door schoutsdienaars afgevoerd naar ’s-Hertogenbosch.
Ter plekke aangekomen volgde een zgn. ‘scherpe examinatie’. Een vorm van ondervraging waarbij tevens de pijnbank als pressiemiddel werd gebruikt om bekentenissen af te dwingen. Er zat voor Everart niets anders op dan ruiterlijk te bekennen dat hij in 1477 de Onze Lieve Vrouwekerk op de Hoeven onder Meijel was binnen gedrongen en aldaar vier kisten had open gebroken. Hij sloeg snel zijn slag, maakte allerhande lijnwaad buit, stal het nodige geld dat hij in een paar dozen had zien liggen en ontfermde zich over enkele misgewaden. Maar hij had nog veel meer op zijn kerfstok. Hij had er o.a. een gewoonte van gemaakt om bij Jan en alleman de nodige huisraad achterover te drukken. Het slot van het liedje was dat hij werd veroordeeld tot de strop en wie in Meijel langs het galgenveld gelopen heeft moet hem daar hebben zien hangen!

Belediging van de Kartuizers
Bekend is dat in 1485 rondom Sint-Oedenrode diverse landerijen lagen die toebehoorden aan de Kartuizers van Vught. Een zekere Art Otten uit Rooi kon dat blijkbaar niet verkroppen, waarom zullen we nooit te weten komen, maar hij had er op z’n minst de nodige problemen mee en keerde zich regelmatig met de nodige venijnige scheldwoorden en bedreigingen tegen deze vrome monniken. Wat hij ze allemaal naar het hoofd geslingerd heeft wordt in concreto niet vermeld in het citaat, maar dat men actie tegen hem zou ondernemen was logisch. Hij kwam er overigens redelijk goedkoop vanaf, want het kostte hem slechts 20 rijnsgulden zgn. ‘compositiegeld’.
Missaal gestolen
Soms bleef de naam van een dader onvermeld en stond in de schoutsrekening alleen de misdaad zelf opgetekend. Zo zou in 1486 zich iemand vergrepen hebben aan het weghalen van een missaalboek, toebehorende aan de gremisten[1] van het Sint-Nicolaasaltaar in de Sint Jan te ’s-Hertogenbosch, een zijaltaar dat al vóór 1280 bekend was in dit heiligdom!
Priester slaat Oijen over
Merkwaardig is ook de aanklacht tegen een priester. Het speelde zich af in Oijen waar een zekere Claes Dirck Hartsteens woonde. Die misgreep zich aan het feit dat hij in 1487 en plein publique ergens in de binnenstad van Oss afgrijselijk te keer was gegaan tegen de priester de eerwaarde Heer Gherit van Best. Deze dienaar Gods en goede man deed zijn uiterste best om in de regio met enige regelmaat zijn vaste ronde te doen met vaatjes Heilige Olie zodat stervende Brabanders tijdig het H. Oliesel konden ontvangen ofwel bediend konden worden volgens de katholieke traditie. Hij bediende in de regio zowat alle kerken.
Wat wil nu het geval….hij zou blijkbaar geweigerd hebben in zijn rondgang Oijen aan te doen, wat hem door genoemde Claes uiterst kwalijk werd genomen. Het kwam echter niet tot een wandaad door Claes en hoe hij de ijverige priester heeft aangesproken zal voor eeuwig een geheim blijven.
Moord in de kerk
En wat te denken van deze fanatieke misdadiger Antonis de Clerck die zich in 1491 had verschanst in de Oirschotse kerk en weggedoken zat bij een van de pilaren, totdat zijn doelwit kwam aanlopen nl. een zekere Maes en hij sloeg hem ter plekke dood! Zijn verdiende lot zou hij tegemoet gaan op het moment dat de scherprechter hem hardhandig aanpakte wat leidde tot een onthoofding, waar vaak omstanders naar konden gaan staan kijken in de hoop dat ze zichzelf correct zouden blijven gedragen, want als je zulke streken uithaalde als Antonis dan was je inderdaad ten dode opgeschreven!

Niet veilig in de kerk
In de 15e eeuw was het geen overbodige luxe dat de lokale bevolking, opgejaagd door allerlei vijandelijke troepen - denk bv. maar aan Maarten van Rossem met zijn ruiters en voetvolk - hun huisraad in veiligheid brachten in de plaatselijke kerk. Altijd en overal had je dan van die smeerlappen die daarop zaten te wachten en probeerden in het geheim hun slag te slaan. Een zekere Willem Jansen uit Bladel was zo’n figuur. Hij ging op rooftocht in de Bladelse kerk en maakte het een en ander buit, maar….de Bladelnaren spoorden hem op, leverden hem uit en uiteindelijk wachtte hem de strop!
Hertog schenkt kerkraam
Een mooier moment beleefden de Boxtelnaren in 1491. De hoogschout van ’s-Hertogenbosch, Hendrik van Ranst, meldde een mooie post in zijn jaarrekening van 1491-1492. Onder de rubriek ‘extra uitgaven’ maakte hij melding van een opdracht die bij hem was binnengekomen via de Hertog van Brabant. Die had hem de boodschap gegeven dat hij door een zeer ervaren glazenier in de Boxtelse Sint Petruskerk voor 24 rijnsguldens een mooi raam moest laten aanbrengen met het wapen van de hertog zelf. Of dat bewuste raam nu nog te bezichtigen is heb ik verder niet nagetrokken, maar wie weet?
De galg voor diefstal van goud
Goed een jaar later komt men een zekere Henneken van ‘Nymeghen’ op het spoor, een beruchte boef die bij nacht en ontij op dievenjacht ging. Hij was oorspronkelijk afkomstig uit het land van Gelre. Op een dag of nacht, wie zal het zeggen, arriveerde hij in het dorp Lenth en zo brutaal als hij was, wist hij bij een priester in dat dorp een kist open te breken. Hij ontvreemdde maar liefst 27 stukken goud. Enige tijd later begaf hij zich onderweg naar ’s-Hertogenbosch, maar de Nijmegenaren hadden hem in het vizier en volgden de snoodaard op zijn tocht. Eenmaal in Den Bosch aangekomen kon hij vrij snel gearresteerd worden. Hij werd ‘ter scerper examinacien’ overgebracht naar het cellencomplex ter plaatse en even later zou hij, ten aanschouwe van toegestroomd publiek, hangend aan de galg zijn aardse dievenbestaan inruilen voor het ‘hiernamaals’! Binnen de ‘goe gemeente’ deden dit soort verhalen natuurlijk met enige regelmaat de ronde.
Dorstige dief

In Rosmalen konden ze er van meepraten, want daar liep ook zo’n beruchte figuur rond. Hij luisterde naar de naam Jan die Brouwer en kende Rosmalen op zijn duimpje. Als knecht en brouwer werkte hij regelmatig in het klooster op Coudewater en wist in dat complex natuurlijk uitstekend de weg. Op een avond of in het begin van de nacht in 1494 drong hij het klooster binnen. Ergens in een hoek ontwaarde hij een ‘stoepke’ bier en drie spint mout en nam die vast in beslag. Men kwam hem echter op het spoor en hij moest zich verantwoorden voor deze misdaad. Later zou hij bekend hebben deze diefstal gepleegd te hebben uit een vorm van onverschrokkenheid of overmoed. Een veroordeling is in de schoutsrekening overigens niet terug te vinden. Toentertijd was een ‘stoop of stoep’ bier een kruik en een spint is een graanmaat van ¼ schepel of 1/16 mud.
Archiefbron
Website Henk Beijers Archiefcollectie (opent in een nieuw tabblad), rubriek historisch onderzoek Schoutsrekeningen (opent in een nieuw tabblad)
Noot
[1] Aan diverse altaren in de kerk was een benificie of gremium verbonden, een fonds waaruit de priesters betaald werden die de koorgebeden voor dit altaar verzorgden. Gremisten zijn de priesters die tegen presentiegeld uit het gremium deze taak uitvoerden. Bronnen: A.M. Frenken, Altaren, Benificiën en Geestelijkheid der voormalige Parochiekerk van Helmond, in: Bossche Bijdragen IX (1928-1929), blz. 255 en A. Frenken, Geschil tussen de Helmondse gremisten en horisten en hun rentmeester, in: Brabants Heem 16(1964), blz. 77 (met dank aan Anton Schuttelaars).
