Vervolg van de gebeurtenissen opgetekend vanuit de oude schoutsrekeningen uit de 14e, 15e en 16e eeuw op basis van de items kerken, kapellen, kloosters en geestelijken.
Diefstal met de strop als gevolg
Het korte verhaal van een Bosschenaar die luisterde naar de naam Thomas, zonder dat een familienaam werd vermeld. Blijkbaar was het een bekende figuur in de hoofdstad, want hij had al de nodige diefstallen op zijn naam staan. Van hem was in 1598 al bekend dat hij een hele serie beurzen had opengesneden en de inhoud had verduisterd. Brutaal als hij was presteerde hij het om op de maandag waarop vanuit de Sint Jan de Stille Omgang werd gelopen, samen met iemand uit Veghel een slapende man te beroven van zijn knapzak en het geld achterover te drukken. Ze hadden deze man ontmoet bij de zgn. ‘Corte Cameren’. Uiteindelijk werd hij gegrepen en om al zijn euveldagen restte nog meer één straf nl. de strop aan de Bossche galg!

Hij was uit het Land van Kleef afkomstig
We hebben het hier over een zekere Janne Henricks zoon van Berte Snijder die was geboren te Kleef. Op de zondag in het jaar 1500 toen men in ’s-Hertogenbosch de jaarlijkse processie organiseerde en ‘Ons Lief Vrouwke’ door de straten van Den Bosch droeg, had deze figuur uit het Kleefse land zich met vrienden teruggetrokken in een van de Bossche wijnhuizen. Je zou verwachten dat ze ergens beneden in een hoekje zouden zitten, maar ze bleken hun intrek genomen te hebben op de zolder van die herberg. Er was meer volk aanwezig nl. ook een zekere Jan van Toerren. Dat was van huis uit geen Brabander. Wat ze als gasten zoal te bespreken hadden wordt niet gemeld in de akte, maar nadat ze aardig wat slokjes achterover hadden gedrukt kwamen de tongen goed en wel los wat ontaardde in druk redetwisten, dat van kwaad tot erger raakte. Jan Henricks gemoed raakte danig verhit en het noodlot kon niet uitblijven. Hij greep naar een mes en bracht Jan Toerren een stevige snijwond toe, waaraan hij na enige tijd zou overlijden.

Na die woedende aanval en het gevolg ervan begon Jan Henricks zijn gevoel toch wel lelijk te knagen. Uiteindelijk verzoende hij zich met de familie en vrienden van zijn slachtoffer en legde hij een verklaring af dat hij van huis uit heel arm was en in wezen alleen maar hetgene had wat hij met z’n handen kon verdienen. Ook bracht hij te berde dat hij niets liever wilde dan terugkeren naar zijn geboortestreek. Na zo’n wandaad zou je verwachten dat er een fikse straf zou volgen, maar wonder boven wonder, misschien wel vanwege die vorm van verzoening, werd hij slechts veroordeeld tot drie pond grote schellingen!
Een Vlaming in de boeien geslagen
In een van de Bossche straten werd in 1500 iemand stevig op de huid gezeten en met enig geweld gevangen genomen. Wat hij in de stad allemaal uitspookte tijdens zijn Bossche escapade werd niet al te uitvoerig vermeld, maar duidelijk bleek het te gaan om een geboren en getogen Vlaming luisterend naar de naam Mathijs. Hoe dan ook… de Bosschenaren hadden wel een uitgesproken oordeel over zijn misstap. Hij had, zo dacht de katholieke bevolking in de hoofdstad erover, in ieder geval je reinste heiligschennis gepleegd door bij een priester, die met het H. Sacrament der zieken over de straat liep, het ‘allerheiligste’ uit zijn handen probeerde te trekken. Ja, zoiets doe je natuurlijk niet!
Het kwam hem duur te staan. Na zijn aanhouding volgde uiteraard een stevige ondervraging door de Bossche scherprechter. De akte vermeldt dat uit zijn bekentenis viel op te maken dat hij zich ernstig schuldig maakte aan ‘zodomitterie’. Het woord sodomiet vertaalt men in het middelnederlands met homoseksueel. Hij bedreef die praktijken volgens zijn eigen verklaring ‘mit hoenderen ende schapen’. Verder was het een type dat zonder geld of goed door het leven ging. De uiteindelijke veroordeling was bepaald niet mals, want het slot van het liedje bleek de brandstapel te zijn!

Goed een jaar later, in 1501, passeerde een akte waarbij een zekere Aer van Wezel heftige beledigende woorden had geuit tegen een van de priesters van de Sint Jan, waarover bij de hoogschout een klacht werd ingediend. In vergelijking met de hierboven beschreven Vlaming was deze boete vrij mild nl. 4 rijnsguldens.
Een epileptica uit Breugel

Lynken Appelmans werd geboren te Breugel. Nu kan een mens in het leven allerlei kwalen oplopen en dat trof ook Lynken. In een beschrijving uit 1501 bleek zij bezocht te zijn en ‘besiect met Sinte Cornelys’, hetgeen betekende dat ze voortdurend leed aan epileptische aanvallen of last had van de bekende ‘vallende ziekte’, zoals die in de volksmond werd betiteld. Sint Cornelis was in het Brabantse land overigens geen onbekende heilige, want her en der werden bedevaartplaatsen gecreëerd genoemd naar deze patroonheilige. Zo lezen we in het standaardwerk Bedevaartplaatsen in Nederland van P.J. Margry en C.M.A. Caspers [bijlage 4] dat er nogal wat bedevaartsoorden bekend waren in Brabant met als patroonheilige Cornelius. Genoemd worden o.a. Achtmaal, Bokhoven, Den Hout, Esbeek, Gastel, Hooge Mierde, Hoogerheide, Leur, Roosendaal, Son, Vortum-Mullem, Wanrooij, Zeeland en Zeilberg.
Maar buiten dat had Lynken nog wel wat meer op haar kerfstok. Op een dag werd ze nl. op heterdaad betrapt op het moment dat ze in de kerk van Hooidonk onder Nederwetten een soort kapmantel of falie weghaalde en daarnaast nog enige andere doeken en schotels. Niet zo vreemd want in de regio stond ze naast al die epileptische aanvallen onder het Brabantse volk bekend als een arme dievegge, die uit pure armoede met de regelmaat van de klok het dievenpad bewandelde. Eenmaal voor de schout staande, die haar veroordeelde tot de betaling van 6 rijnsguldens en 30 schellingen, toonde ze berouw en beloofde plechtig het nóóit meer te doen! In hoeverre ze die belofte heeft waar gemaakt laat zich gissen!
Archiefbron
Website Henk Beijers Archiefcollectie (opent in een nieuw tabblad), rubriek historisch onderzoek Schoutsrekeningen (opent in een nieuw tabblad)

