Vervolg van de gebeurtenissen opgetekend vanuit de oude schoutsrekeningen uit de 14e, 15e en 16e eeuw op basis van de items kerken, kapellen, kloosters en geestelijken.
Een scêne achter de Baseldonkpoort

Publiek domein)
Het gaat hier natuurlijk om de poort van het klooster Baseldonk bewoond door de Bossche Wilhelmieten of de Baselaars - herinnerend aan hun stichter Winand van Basel - en in die tijd, rond 1195, sprak men ook wel van het klooster Porta Caeli [Schutjes dl.4 – 392].
Op een dag verscheen daar een schoenmaker uit Den Dungen die luisterde naar de naam Henrick Jan Wouterssoen. Vergezeld door een zekere Antonis Mughoevel, die misschien wel een zeer vroege voorganger zou kunnen zijn van de overbekende carnavaleske ‘Peer van den Muggenheuvel’, arriveerde hij in 1502 bij het Wilhelmietenklooster. Ze troffen daar ‘twee jonge maegden’ aan, waarvan ze er een herkenden als de dochter van een zekere Symon Barbiers, die daar toevallig voor de kloosterpoort stond. Ze vroegen aan de beide dames wat daar in de nacht toch te doen was en de ‘zwervers’ nodigden de jonge dames uit met hen mee te gaan, maar een van de twee weigerde dit pertinent. En wat doet die brutale Henrick… hij scheurde haar mantel aan stukken, waarop de jonge maagd begon te roepen en te krijsen. De monniken die vanuit hun klooster die klaagzang op afstand hoorden, openden snel de kloosterpoort en riepen beide dames binnen, juist op de dag dat er in het klooster feest werd gevierd omdat er weer een monnik was ingetreden en zijn ‘wereld tenue’ had verruild voor het kloosterkleed.
De schoenmaker en zijn compagnon kwamen er niet zonder kleerscheuren af nadat de schout geïnformeerd was over dit voorval. Ze werden uiteindelijk veroordeeld tot betaling van 5 rijnsguldens.
Zusters van Orthen in Schijndel
Het is bekend dat in Brabant veel kloosters her en der de nodige bezittingen hadden liggen. In die serie ontbreekt Schijndel natuurlijk ook niet. Sinds mensenheugenis moest men van daar bv. in de 14e eeuw al hop leveren aan de Clarissen in Den Bosch. Maar ook de Kruisbroeders, de Birgitinessen uit Rosmalen, de Wilhelmieten of Baselaars uit ‘s -Hertogenbosch, denk maar aan de Baselaarshoef en zusters van Orthen uit de hoofdstad bezaten er al geruime tijd een pachthoeve onder het gehucht de Borne.
In 1503 spoedde een zekere Meryken, een dochter van Willem van Zochel, zich in het geheim naar de koeien van die bewuste pachthoeve. Je vraagt je af wat ze daar in godsnaam te zoeken had. Ineens dook ze op in een perceel land waar de koeien rustig ronddoolden en Meryken had bedacht om buiten het zicht van de pachters snel de koeien te gaan melken en de melk stiekem achterover te drukken. Bovendien speelde ze het klaar om uit de moeshof ook nog eens de nodige producten te stelen.

Van hogerhand probeerde men, volgens de tekst van de akte, achter de waarheid te komen en er volgde een ondervraging bij de naburen van Meryken in dat Schijndels gehucht. Toen pas werd duidelijk dat Meryken in de directe omgeving een bekend figuur was waar men al meer van had meegemaakt en gehoord en de buren biechtten op, dat zij een vrouw was die gedurende haar leven tot grote armoede was vervallen en zich af en toe op het dievenpad begaf. Nu is die omstandigheid natuurlijk geen excuus voor een dergelijke diefstal. Ondanks al die ellende werd ze toch veroordeeld tot de betaling van 6 rijnsgulden.
Gevangen bij de Predikheren
Wederom een boeiend verhaal uit 1503. Op 8 januari van dat jaar reisde de hoogschout met tien paarden van ’s-Hertogenbosch richting Brussel. Er was aldaar een overleg gepland met de kanselier en de Raad van Brabant met de intentie om van hen permissie te krijgen om een zekere Wouter Nijs gevangen te mogen nemen, omdat hij beticht werd van een moord die hij begaan zou hebben. De permissie werd verleend en uiteindelijk werd de voortvluchtige onder het dorp Hilvarenbeek gevangen genomen, nadat hij van het kerkhof of uit de kerk van Hoge en Lage Mierde was gehaald. Hem wachtte de gevangenpoort.
De reis van de hoogschout had drie dagen in beslag genomen waarvoor de hoofdschout 18 gulden vacatiegeld ontving. Nadien heeft hij de officiaal van Luik, die in Diest resideerde, van deze aanhouding in kennis gesteld. De hoogschout is toen uit voorzorg met 9 paarden afgereisd naar Diest, rekening houdend met het feit dat reizen in oorlogstijd behoorlijk onveilig was. Die reis kostte hem 8 dagen en hij beurde wederom vacatiegelden à 44 gulden.
Op bevel van de officiaal van Luik is Wouter na 14 dagen uit de gevangenpoort gehaald en overgebracht naar het Predikherenklooster, samen met nog twee andere gezellen. En wat gebeurt er dan… na vier dagen verbreken de Predikheren bij hem met geweld de boeien (‘met fortsen die yseren’) en hebben de gevangenen gewoon vrijgelaten. Enige dagen later, zo meldt de akte, is de klerk van de schout naar Diest gestuurd om te bemiddelen, dat men de schout vanwege zijn handelwijze ‘niet te banne doen en soude’! Dit is overigens wel gebeurd en wat nog triester is, in die periode is de schout gestorven.

Aanvankelijk wilde men hem niet in gewijde aarde begraven en in dit verband is de aartsdiaken naar Luik gestuurd om van de zegelaar aldaar ‘brieven van absolucien’ te verkrijgen. Er volgt een heel proces op. De weduwe en de erfgenamen hebben hierdoor nogal wat kosten gehad, die ze uiteindelijk mochten verhalen op de heren van de Brusselse rekenkamer. De aartsdiaken declareerde aan vacatiegelden 8 rijnsguldens.
Archiefbron
Website Henk Beijers Archiefcollectie (opent in een nieuw tabblad), rubriek historisch onderzoek Schoutsrekeningen (opent in een nieuw tabblad)
