Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
De Noord-Brabantse mobilisatieperiode 1831-1839 (1)

De Noord-Brabantse mobilisatieperiode 1831-1839 (1)

Gerard Strijards

17 december 2024

Bijgewerkt op 6 januari 2025

Op deze website behandelde Gerard Strijards de “Inhuldigingsintogt” van Koning Willem II in 1841-1843. De nieuwe vorst, aangetreden in 1840, maakte veel werk van een charme-offensief door de Brabantse dreven. Het was nodig, wist Den Haag. Want Willem was niet erg geliefd bij de Brabo’s. En dat was zacht uitgedrukt. Wat had hij misgepeuterd, dat hij nu een regen van koninklijke onderscheidingen, medailles, rinkelende zilverstukken en privileges uitstortte over de verbijsterde bewoners van dit wingewest? Daarover gaat deze trilogie.

De wankele positie van een Hervormde Troon

In 1830 toen Willem I, de Koning der Vereenigde Nederlanden sedert 1814, besloot tot een algemene lichting van een volksleger ter beteugeling van de revolte, die wij later zouden inboeken als "Belgische Opstand", was er eigenlijk nog geen echt nationaal Nederlands Leger. Die betrekkelijk nieuwe staat had zoiets stomweg nog niet kunnen oprichten. De reden was, dat de Noord-Nederlanders geweldig de pest hadden aan nationale militaire dienstplicht. Dat hadden ze altijd gehad. Ook toen ze de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën oprichtten bij de "Acte van Verlatinghe" hadden de Hollanders die dienstplicht nooit willen invoeren. Dat was een inbreuk op de gewestelijke grondrechten.

Het militaire beroep was niet in aanzien, een leger was iets duurs en je kon er niets aan verdienen, dus dat wilden de Staten-Generaal gewoonweg niet. Want handel was handel. Commercie ging boven alles. Zo zag het Johan van Oldenbarneveldt in 1609.  Hij had nét een ingewikkelde wapenstilstand met Spanje gesloten. Vrede, eindelijk. Weliswaar maar voor twaalf jaar. Maar goed, dat was toch iets. En nu: geld verdienen. Winstmaximalisatie. Motto: veel is niet genoeg.

Hij werkte Prins Maurits van Nassau verschrikkelijk tegen. Want die was opperbevelhebber van het Staatse Leger. En die wilde die dienstplicht juist wél. En eigenlijk ook opgenomen in de Grondwet van de nieuwe Staat. Johan verzette zich daartegen.  Maurits vergaf hem dat nooit en liet in 1619 op Johan, onze eerste echte Minister-President, een gerechtelijke moord plegen. Maar Oranje won niet. Want dat nationale leger met dienstplichtigen kwam er nooit.  De Britten zeiden de nieuwe koning Willem I ronduit: wij steunen je soevereiniteitsaanspraken. Maar een defensieapparaat moet je echt zelf uit de grond dampen. Wel willen wij bemiddelen bij de voorfinanciering. Lukt het niet met dat militaire apparaat, dan moet je het zelf maar bekijken. We komen je niet als geallieerde te hulp.

Een Koning zonder mobiel veldleger

Koning Willem I met de Grondwet, 1814, door M.I. van Bree (bron: Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Publiek domein)
Koning Willem I met de Grondwet, 1814, door M.I. van Bree (bron:
Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Publiek domein)

Dat wist Willem I verrekte goed, toen hij in 1814 begon te regeren als Koning. Hij durfde dus niet echt te beginnen met een grondwet waarin die nationale universele dienstplicht was omschreven als dwingende verplichting. Dat zou ingaan tegen een hardnekkige traditie, diep en bijna onbewust in het Nederlandse volksbestaan verankerd.  Er was wel een artikel, waarin die dienstplicht als mogelijkheid in het vooruitzicht werd gesteld, maar dat werd niet omgezet in een wettelijke regeling. Dat durfde Willem niet goed aan, zeker niet tegenover een Staten-Generaal waarvan de helft werd uitgemaakt door katholieke "Belgen" die niet voor een protestantse Koning wilden sneuvelen.

En Willem was Hervormd, dat stak hij helaas niet onder stoelen of banken. En ook niet dat hij de katholieken eigenlijk achterlijk vond. Daarin had hij doorgaans wel gelijk. Maar het is voor een Koning niet altijd verstandig om zijn persoonlijke voorkeuren de bovenhand te geven in het verkeer met lieden die geacht worden onderdanen te zijn. Willem I was daarin onverbeterlijk, ook al, omdat hij niet wist dat hij deze hebbelijkheid tot een soort onderbewust automatisme had gemaakt als hij de popie jopie wilde uithangen in Brabo-land.

Willem dacht dat die katho’s dat tóch niet in de smiezen hadden. Zijn neerbuigende vriendelijkheid op de volksaudiënties sprak boekdelen. Dat hadden de Bosschenaren al heel spoedig door. Ze werden behandeld als inboorlingen die met spiegeltjes en kraaltjes wel rustig te houden waren als ze maar afzagen van kannibalisme in het zicht van de monarch. Willem keek vreemd op van hun sacramentaliën, zegeningen en vaandels met Christuskoppen in zelfgeborduurd patroon op marktdagen.

Wapenloze Willlem 

Tegenover Groot-Brittannië had Willem echter zich verplicht een volksleger uit de grond te stampen. Om een sterke defensie te hebben tegenover het immer agressieve Frankrijk. Wellington, de Engelse premier, had hem zelfs voor de Defensie vier miljoen pond geleend, want hij had haast met een sterk Nederland Leger. Maar op 1 april 1814 had Willem een legertje van 11.487 ongeregelde huurlingen, de meeste buitenlanders, slecht uitgerust, niet gemotiveerd, nauwelijks geoefend.

Dat zette hij later in bij Waterloo. Het moest het hebben van de krachtige leiding van drie briljante Generaals: Anton Frans Meijer, De Constant Rébecque en Cort Heijligers. Willem, de Kroonprins, had voor de joeks het opperbevel, maar dat rustte echt wel bij deze beroepsmilitairen, die, helaas, hun palmares onder Napoleon hadden verdiend.

Deze legerschare werd destijds gedeeltelijk gelegerd in "Mariënhage", het oude Eindhovense klooster.  Daar was een welige wei bij voor de paarden en daar liep de vredige Dommel, waar de paarden gedrenkt konden worden. Verder waren in het pand de inrichtingen voor de vervaardiging van uniformstukken: er was steeds, sedert jaren her, een fabrieksinrichting in gehuisvest voor machinale texielvervaardingen in standaardmaten.

Mariënhage, door E.W.J. Bagelaar, 1808 (bron: Rijksdienst Cultureel Erfgoed, nr. TH-004. CC BY-SA 3.0)
Mariënhage, door E.W.J. Bagelaar, 1808 (bron: Rijksdienst Cultureel Erfgoed, nr. TH-004. CC BY-SA 3.0 (opent in een nieuw tabblad))

Er waren cellen waar de officieren toch een zekere primitieve legerstede konden inrichten en er waren veel middenstandsneringen beschikbaar waaraan massale requisities konden worden uitbesteed. De rekeningen zouden nimmer voldaan worden. Maar dat kon toen nog niemand weten. Het leek de Eindhovense middenstand juist een voordelig zaakje. En zo zou het in de langdurige mobilisatieperiode van 1831-1839 ook weer gaan. Wie alles tevoren weet kan met een kwartje de wereld rond.

Een machtiging tot Brabantse plundering

Daarna had Willem zich gestort op het opzetten van een economische infrastructuur, waaraan vooral de Belgen iets zouden hebben. Daaraan had hij alle leningen besteed. Niks gedaan aan de volksmilitie. Londen was woedend.  Dat was toch niet afgesproken! In 1831 stond Willem I met lege handen. Hij moest vrijwilligers gaan ronselen. Die zou hij laten legeren in Noord-Brabant. Daar moesten ze zelf maar zorgen voor hun bivakken, inkwartieringen, fourages en vivres: de leeftocht die de infanterist met zich op het lichaam moest voeren bij de uitputtende marsen. Ze moesten maar leven van de veldgewassen en overigens bestellen op de lat bij bakkers, tappers en slagers. 

Marketenster (foto: P. Louw. Bron: Geniemuseum Vught. CC BY 2.5
Marketenster in het Geniemuseum Vught
(foto: P. Louw. Bron: Wikimedia Commons (opent in een nieuw tabblad). CC BY 2.5 (opent in een nieuw tabblad))

Willem kondigde de uitzonderingstoestand van beleg aan: de soldaten hoefden niet contant te betalen. Ze mochten pakken wat ze nodig hadden, ook aan alcoholica. Nu, dat lieten de Leidse Jagers en de Huzaren van Boreel zich niet tweemaal zeggen. Zij waren particuliere weerbaarheidskorpsen. En vielen deswege niet onder de reguliere krijgstucht. Ze gingen te keer als beesten in Kempenland. Dat bleven ze doen tot 1839. Ze gijzelden de eenvoudige bevolking stomweg.

En ze moesten de artillerie maar weghalen van de stadswallen. Dat hield, dat wisten alle generaals die vroeger bij Napoleon in diens waren geweest: een verkapte machtiging tot plundering. Van de Brabo’s. Het ergste was de dragondrering: het inkwartieren van dragonders met hun knollen, trossen en boezelaarsters en marketentsters. Die zorgden dat de kerels met de glanzende helmen ook erotisch niks te kort kwamen op de afgelegen hoeven in de Meijerij. Dat waren de Brabo’s niet vergeten in 1842.

Lees ook het vervolg

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.