Vanaf de troonsaanvaarding door Willem II leek het Den Haag verstandig een charme-offensief ten behoeve van het Huis Oranje te starten. Vooral in Brabant. Die provincie had duidelijk doen blijken geen belangstelling te hebben in een protestantse dynastie met soevereiniteitspretenties. Onderschillig was Braboland. Dat is eigenlijk nog eufemistisch uitgedrukt. Willem kreeg de katholiek Dr Wap mee als chapperon en vertaler van de dialecten. Want Willem sprak een raar brouwend Hooghollands met Britse tongval. Wap moest dagelijks Den Haag berichten of Willem zich netjes gedroeg. Hier volgen drie episoden.
Een frisse, vrolijke veldtocht
De zuidelijke Nederlanders – de Belgen, zouden we nu zeggen – waren in de hete zomermaanden van 1830 in opstand gekomen tegen het persoonlijk regime van de protestantse vorst Willem I van Oranje. De koning van de Noordelijke Nederlanden boven de Grote Rivieren. Het was een vreemde revolutie geweest, eigenlijk georganiseerd vanuit Parijs dat óók in een revolte verkeerde en die Zuidelijke Nederlanden wel wilde annexeren. Willem I had gerekend op militaire steun vanuit Londen. Die bleef uit. Zijn zoon, tuk op krijgsmansroem, plande nu een militaire operatie – die we nu kennen als de Tiendaagse Veldtocht - om de twee gemobiliseerde krakkemikkige Belgische Legers te verslaan. Het Schelde- en het Maasleger.

Een afwezig volksleger
Londen had flink in de buidel getast in 1814 en Willem I voor de oprichting van een mobiel veldleger flink wat fondsen gegund. Dat leger zou een volksleger moeten zijn, gebaseerd op de universele nationale persoonlijke dienstplicht. Willem had de centen graag ontvangen. Daarna bleef het stil. Londen ging er dus vanuit dat Willem die gelden voor zo’n efficiënt massaleger had aangewend. Dat bleek in 1830 allerminst het geval. De Nederlander had er alles aan gedaan om niet op te komen voor de dienstplicht. En Willem had de fondsen aangewend voor commerciële projecten, zoals, ironisch genoeg, de hoogst moderne haveninrichtingen in Gent en Antwerpen. In 1831 had Willem een wapenroep geslaakt, gericht tot de universitaire studentenweerbaarheden en de stedelijke schutterijen. Daaraan was geantwoord: veel regimenten waren opgekomen op basis van particuliere werving en financiering: de Huzaren van Boreel, maar ook korpsen rijdende artillerie, verkenningsbrigades, pontonniers en genisten.
De merkwaardige manoeuvres bij Woensel
Een onsamenhangend geheel, maar wel goed onderhouden naar uniformering en bewapening. Alleen: volstrekt ongeoefend. Veel infanteristen hadden nog nooit met scherp geschoten. De legeringen van dit chaotische, maar fraai uitgedoste veldleger geschiedde vooral op de gigantische Kempische Heidevlakte, de Campina, tussen Best, Oirschot en Eindhoven. Er waren geen voorzieningen tot kazernering op grote schaal. Dat gebeurde te Tilburg en Breda in fabrieksgebouwen. Het geval was dat de divisie-onderdelen ook niet gewend waren in grotere tactische verbanden op te treden en slag aan te nemen. Ze herkenden soms elkanders uniformeringen niet in het heetst van de van door kruitdampen doortrokken oefeningen, hetgeen tot de meest merkwaardige misverstanden leidde. De manoeuvres op grotere schaal werden verricht op de Woenselse Heide, waar prins Willem Frederik placht te verschijnen met de gigantische schouderpassanten van Brits Veldmaarschalk op het schaarlakenrode lakense uniform van opperbevelhebber.
Een Hollands pestlegertje
Terwijl hij hoogop twintigduizend man commandeerde op dergelijke ogenblikken. Daaraan nam de Britse premier Wellington beslist aanstoot. Want hij was echt Veldmaarschalk over grote legerscharen geweest. In Spanje, in de diverse grote slagen daar met Britse expeditie-brigades en natuurlijk bij Waterloo, dat roemruchte slagersveld. Hij vond het maar een operette, daar op die Woenselse Heide. Dat was niet serieus te nemen. De Hollandse studenten zagen er mooi uit, maar waren al vroeg in de ochtend in de lorum. Goed. De Tiendaagse Veldtocht als tactische operatie zal ik u niet beschrijven. Maar wél dat Willem I haar op commando van Londen direct moest afbreken, want dat wilde dit soort schermutselingen niet hebben in dat België. Daarop trok dat gekke legertje morrend terug, eerst onder Best en daarna werden de militaire afdelingen verspreid over heel Noord-Brabant in afwachting van nieuwe krijgsverrichtingen. Want Willem I wenste met het Belgisch Muitendrot niet te onderhandelen.
Een voortgezette mobilisatie van negen jaren dadenloosheid
Hij wilde dat Londen ingreep, Antwerpen maritiem blokkeerde en verder een expeditionair leger inzette ter ondersteuning van Hollands Roem. Dat deed Londen niet. Dus bleven de Hollandse, Friese, Gelderse en Groningse afdelingen van hot naar her zwerven in dat Brabantse land, zich doorgaans kapot vervelend, baldadigheden betrachtend en de meisjes van de streek beschouwend als publieke proefstations voor hun hoogst viriele aandriften na voortgezet alcoholgebruik. De Brabo’s vonden het niet leuk. Vooral omdat de studenten ook wel deden blijken dat ze de Brabo’s beschouwden als wilde inboorlingen die eigenlijk geen burgerrechten hadden. Dat was een landerige periode die meer dan acht jaar duurde en klauwen geld kostte aan de schatkist. In 1839 werd totale demobilisatie gelast op bevel van Londen. De nationale schuld was inmiddels 2200 miljoen Rijnlandsche Guldens. De Tweede Kamer suizebolde ervan: de Koning had op dit punt nooit opening van zaken gegeven. Willem trad af. Zijn zoon, de operettemaarschalk, zou zijn opvolger zijn. Maar: wat vonden de Limbo’s, de Brabo’s en de Zeeuws-Vlamingen daarvan? Die hadden, vaak letterlijk, het gelag moeten betalen voor deze mallotige mobilisatieperiode.
Voor de Brabo’s hebben de Hollanders afgedaan
Die hadden al laten blijken dat ze er niet over piekerden die schulden mede te voldoen. Hun dochters waren ongewild zwanger, de rekeningen van de gastkwartieren bleven ongedolgen, overal waren gevolgen van straatschenderijen, baldadigheden en openlijke geweldplegingen van de Hollandse soldaatjes nog duidelijk kenbaar. De Brabo’s hadden doen weten dat ze onverschillig stonden tegenover het Hollandse gezag en dat aansluiting bij België hen liever was. Willem I had de Brabantse Kamerleden die dat naar voren brachten in Den Haag maar ontslagen. Wat zou de houding van deze gewesten tegenover Willem II zijn? Dat was de nijpende vraag. Kon deze Willem II misschien toch de harten daar herwinnen? Den Haag besloot nu een enorm charmeoffensief te lanceren in deze gewesten. Een schitterende inhuldigingstogt van Willem II door deze streken, waarbij hij minzaam met onderscheidingen, ambten en privileges zou rondstrooien.
Een inhuldigingsreis van maanden
Hij zou ook treffelijke lof-aanspraken ten beste geven, subsidies toezeggen, schadeloosstellingen garanderen, en vrouwen die gevallen waren onder de seksuele aandrang van de soldaten compenseren met eerzame betrekkingen of aanstellingen. Dat scheen helaas hard nodig te zijn. De togt, aangevangen in voorjaar 1842 duurde een aantal maanden, vaak onderbroken door wantijden en regenval, want het stormde en regende veel: de wegen bleken zo goed als onbegaanbaar. Willem II wilde te paard verschijnen, als de nobele rechtsherstellende vorst, uitgedost als luitenant-generaal en inspecteur-generaal der strijdkrachten, tevens toegerust als generaal in Russische Dienst. Hij zou in deze hoedanigheden dus ook met Luxemburgse en Russische onderscheidingstekens kunnen strooien. Dat was niet echt erg duur en zou aangewezen zijn, want de schatkist was leeg en zou dat wel even blijven. Maar misschien zou een burgemeester wel in de versnelling komen, voorzien van het fonkelend kruis van de Orde van de Luxemburgse Eikenkroon. Willem had er dozen vol van bij zich. Weer speelden de meest eigenaardige bombastische zielsontladingen bij de ontvangende en onthaalde partijen een hoofdrol bij deze evenementen die in gans Europa een zekere hilariteit te weeg brachten, want Maarschalk Willem kon niet laten zich als groot veldheer voor te doen die door unieke braverij en buitengemeen tactisch inzichten een Napoleontische slag had kunnen aannemen en grootmoedig vrede had kunnen maken met de Belgen. De buitenwereld wist wel beter. De togt is nauwkeurig verslagen in een groot gedenkboek, goud-op-snee, uit 1842.
De bezoeken aan Den Bosch en Eindhoven

Ik neem de passus daaruit, samenvattenderwijs, van het bezoek aan het verbijsterde Eindhoven en dat aan Den Bosch dat wel ergere gevallen binnen zijn muren had gehad. Het boek heeft tot titel: Gedenkboek der Inhuldigingen en Feesttogten van Zijne Majesteit Willem II 1840-1842, gedrukt te ’s Hertogenbosch, 1842 bij drukkerij J.F. Demelinne. Soms citeer ik woordelijk de meest saillante passages waarin de geroemde en de roemers zich wederzijds te buiten gaan aan de meest fantastische overdrijvingen, die welhaast in een roes moeten zijn uitgekreten. De geest van het momentum, waarbij de deelnemers zich eigenlijk geen raad weten met de situatie. Nederland is een derderangs-mogendheid. Het weet niet of het nog lang staatszelfstandigheid kan behouden. De gezagsdragers – of wat daarvoor doorgaat – weten het. Ze stellen zich op, alsof Nederland in staat is de wereldrechtsorde samen te stellen in de schaduw van de Amsterdamse Westertoren. Terwijl de wereld huiverend toekijkt. Bedeesd de Nederlander niet te tarten.

