Op deze website behandelde Gerard Strijards de “Inhuldigingsintogt” van Koning Willem II in 1841-1843. De nieuwe vorst, aangetreden in 1840, maakte veel werk van een charme-offensief door de Brabantse dreven. Het was nodig, wist Den Haag. Want Willem was niet erg geliefd bij de Brabo’s. En dat was zacht uitgedrukt. Wat had hij misgepeuterd, dat hij nu een regen van koninklijke onderscheidingen, medailles, rinkelende zilverstukken en privileges uitstortte over de verbijsterde bewoners van dit wingewest? Slot van de trilogie.
Beroerde voorbereiding
Het was, dat blijkt uit alle rapporten en private brieven van de oorlogsvrijwilligers, een schandalig slecht voorbereide veldtocht tegen de Belgen. De enige keer dat de Staat der Nederlanden in haar roemruchte geschiedenis als directe agressor kon worden ingeboekt. Met een overmacht aan weluitgeruste troepen. Tenminste, wat kleding betreft, schoeisel, ammunitie en zware rijdende artillerie.

Maar op de training, slagvaardigheid en het improvisatievermogen van de gelichte miliciens kwam het aan. Zoals altijd. En daaraan schortte het aanmerkelijk. Dat kon ook niet anders, dat was bij de vooroefeningen al gebleken: de miliciens wisten nauwelijks om te gaan met het zware drie meter lange geweer dat niet goed te richten was zonder steunvork. Het was verhoudingsgewijs geen slecht vuurwapen, maar het goed plaatsen van kardoes en de vuursteen, het aanplempen van de kruidhoeveelheid in de vuurkamer, dat vereiste geduchte gedrildheid. En die was er bij de studenten nu eenmaal niet.
Het Belgisch muitendrot als tegenstander te velde
Wat reuze scheelde was, dat de Belgen er nog minder van bakten. Die hadden vaak geen ammunitie. En dat bleek toch wel te schelen. Vaak kwamen armzalige verluisde blootvoeters na eerste vuurcontact met de handen omhoog de Hollanders tegemoet, teneinde zich over te geven. Ze gaven meteen maar aan, dat ze het nooit erg hadden bedoeld maar dat ze wel honger hadden. Kon de ‘Óllandse Mogendheid' daar nu niets aan doen?
En had ze ook klompen te missen? Met stro graag. Want het tochtte anders wel door aan de enkelpartij. En was er nog iets te drinken? Bier zou erg helpen. Deze krijgsgevangenen, mits goed bediend, waren verder niet lastig: ze sjokten kauwend achter de fouragekarren aan, die weer noordwaarts trokken nadat bij Poppel werkelijk even gevochten was. Er waren aan beide kanten dooien gevallen. Het moest nu toch niet gekker worden. Dat vonden de studenten nu óók.

Die konden er maar niet aan wennen dat de bronzen voorladers na salvo vuur meters achteruit steigerden zonder dat de batterijcommandant daarop gewezen had. Zo denderden deze vuurmonden zomaar over de tenen van deze intellectuele infanteristen, daarbij de eksterogen niet ontziend. Het was te gek voor woorden, vooral na de slag om de pastorie van Ravels. Daar had men als gekken vuur afgegeven, zonder te bemerken dat er niemand thuis was.
Belze krijgsgevangenen
De krijgsgevangenen vanwege de slag bij Turnhout waren en masse over Vakenswaard naar Eindhoven afgevoerd. Daar had men de handen vol aan het spijzigen van deze dapperen die Caesar zo terecht roemt wegens hun voorbeeldeloze dapperheid in het krijgsbedrijf. Hij had er ook bij kunnen gewagen van hun opmerkelijke eetlust, hun behoefte aan ondergistende bieren en hun gehechtheid aan wolletjes op de stromatras. Eindhoven schafte het aan, op aandrang van de Districtscommissaris uit Den Bosch. Maar in 1842 waren die rekeningen op wissel nog steeds niet betaald.
Legertrein (I.I. de Lanier, c. 1815-1850. Bron: Rijksmuseum
Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-88.052 (opent in een nieuw tabblad))
Omdat Den Haag, schrieperig als steeds, op het standpunt stond dat ’s Rijks schatkist niet bestond om Kempische deserteurs feestelijk te onthalen. Inmiddels was gebleken dat ’s rijks internationaal deficiet was aangegroeid tot 2200 miljoen Rijnlandse Guldens in 1842 en dat de Kroon dacht zulks te delgen via zware accijnzen op de rogge, Brabants volksvoedsel nummero 1. Ook dat maakte dat Willem II niet overal onbeperkt chalereus ontvangen werd.
De Tweede Kamer was wederspannig geworden jegens de financiële afhechting van deze oorlogsschulden, ook al omdat van het strategisch plan van Veldmaarschalk Willem van Oranje geen spat terecht was gekomen. Aan de Kamer was bericht dat de opperbevelhebber te velde een directe aanval op Brussel in de zin had gehad. Dat zou makkelijk te doen zijn, want de kondschapdiensten die deze krijgsoverste bezigde hadden bericht dat de Belgen eigenlijk helemaal niet blij waren met de opstand.
De contra-spionage-La Sarraz
Er was een kolonel La Sarraz te Aken, die had bericht dat de Vlamingen popelden om zich over te geven, maar de Zuid-Brabanders óók. Dat bleek niet geheel juist te zijn. Maar Willem I had het graag geloofd. Daarom had hij zijn zoon gelast de legerconcentratie bij de aftrap te beperken tot het gebied oostelijk van de Acht Zaligheden bij Eindhoven.
Daar kon geen kind schade doen, had Willem begrepen, en als er niet veel stuk ging was deze oorlog er een op een koopje. Dat klopte eigenlijk ook wel. Maar deze bereidwillige vaandelvluchtigen wilden dan wel hun overgaves kunnen beramen buiten het zicht van hun Franskiljonse oversten. Dat moest de ‘Ollander toch begrijpen, zulle, dus dat moest ’ém arrangeren. Dat was niet heel duidelijk voor de Leidse jagers die meteen maar vuur afgaven voordat een bevriende vijand zich geriefelijk had overgegeven. Die schrok zich dus terecht dood, want dit was niet de afspraak.
Wel kwamen ze na een vreemd soort dans, waarbij de Turkse trom van de Hollandse artillerie de snelheid der passen voor- en achterwaarts scheen aan te geven, toch enigszins gehavend bij de Hollandse linie terecht, zich op goede gronden beklagend dat niet op tijd regelmatig kwartier werd gegeven. En zo zou deze militaire charade blijven. Totdat de Fransen tussenbeide kwamen. Die zagen dat de Belgen het onderspit dreigden te delven. Dat was niet wat Parijs met deze oorlog voorhad.
Opgelegde wapenstilstand
Londen, vrezend dat de zaak nu uit de hand ging lopen, beval Den Haag een wapenstilstand te aanvaarden. Het gelastte Brussel een groot deel der staatschuld van Noord-Nederland over te nemen zonder te vragen, waaruit deze samengesteld was: voor 61 %. Willem I had inmiddels vernomen dat de Brabo’s zich maar wat makkelijk verbroederden met de Belze krijgsgevangenen, die verdomme niet eens, na vrijlating, naar huis wilden.
Was het niet zo, dat die Brabo’s in het algemeen in de Belgen hun bloedsbroeders zagen? Hij besloot dus niet te demobiliseren, maar de actuele bezettingskosten integraal ponds-pondsgewijze te versleutelen over de Brabo’s. Dat leidde tot aanmerkelijke belastingverhogingen, middellijk en onmiddellijk waar deze Brabo’s nu eens he-le-maal niet blij mee bleken te zijn.
De plaatsvervangers als volkskwelling
Inmiddels waren pa en moe boven de Moerdijk van mening dat hun Pietje of Jantje nu lang genoeg soldaatje had gespeeld. Hij moest terugkomen op zijn Academie en zijn studiën hervatten. De ouders zorgden wel voor een plaatsvervanger. Dat geschiedde, maar deze was doorgaans herkomstig uit de heffe des volks. En die zag zijn kans schoon.

Hij mocht met betaald verlof op vakantie in Braboland! Een beetje schieten met een vuurroer en in de avond achter de meiden aan. Dat had de te vervangen persoon immers óók gedaan, waar of niet. Hij werd fraai ingekwartierd en had de tijd van zijn leven. Met het prachtige pak van zijn voorganger om de leden en lendenen. Dat kun je op de diverse schilderijen van de Brabantse schilder Turken nog wel zien. Kijk: daarom waren de Brabo’s in 1843 niet zo héél erg gek met hun nieuwe koning Willem II. Begrijpt u het een beetje?
