In 1955 werkte ik bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland als jonge kok op het emigrantenschip SS Zuiderkruis. Mijn oudere broer Jan, schoonzus en mijn kleine neefje Henkie gingen in die tijd ook emigreren met dit schip, hun twee broers achterna.

collectie Bert Broekman)
Na drie weken varen op de SS Zuiderkruis zijn we op weg naar Curaçao, naar Willemstad. Het is een hele gewaarwording: een grote pontonbrug gaat dwarsliggen en dan kunnen wij afmeren. De passagiers zijn eindelijk vrij!
Over een paar dagen gaan we door het tachtig kilometer lange Panamakanaal. Het schip moet zes kolossale sluizen passeren. De eerste drie sluizen heffen het schip 26 meter naar boven de andere drie laten het weer zakken op zeeniveau. Als de reis door het Panamakanaal is volbracht gaan we op weg naar het eiland Tahiti, naar de stad Papeete. Maar eerst moeten we de helft van de Grote Oceaan nog oversteken.

Mijn broer en schoonzus hebben op de boot Brabanders leren kennen, dus Brabantse gezelligheid, maar de reis duurt veel te lang. De kapitein had een mededeling: op Tahiti, mag niemand van boord omdat er mazelen heerst onder onze kinderen en ze zijn bang voor een epidemie. 800 passagiers hangen over de reling, wat een teleurstelling! Het schip wordt volgestouwd met vers drinkwater, proviand en vertrekt. Over veertien dagen zijn we in Wellington, Nieuw-Zeeland, dan oversteken naar Australië, naar Melbourne.
De laatste passagiers zijn al aan het pakken. Morgen in de loop van de dag zijn we in Fremantle. Van hieruit gaan we ons bezighouden met de repatriëring van KNIL-Molukkers met hun gezinnen.

