De oud-rechterlijke aktes van de gemeente Lithoijen van rond 1800 bieden een inkijk in een kleine gemeenschap van bewoners aan de rivier de Maas onder de vleugels van de stad ’s-Hertogenbosch, de vrijheid Oss en het graafschap Megen. Voor deze notitie heb ik aktes geselecteerd die een bijzonder relaas beschrijven, een bijzonder feit belichten of juist het alledaagse weergeven. Het leert ons dat, de essentie van “samen leven” in zo’n gemeenschap door de eeuwen heen niet is veranderd. In het tweede deel: diefstal.

Ook al was diefstal een uitzondering in die jaren, er was waarschijnlijk niet veel te stelen, toch bevatten de oud-rechterlijke aktes een aantal aangiftes van diefstal of vermeende diefstal. Ik heb drie opmerkelijke uitgekozen.
Van Zeeuwse rijksdaalders
Hendrik van Lent en Jan van Noort wonen te Lithoijen. Hendrik is 28 jaar oud en werkzaam bij Antoine van Büming. Jan is 25 jaar oud. Op verzoek van Johannes Ploegmakers en zijn vrouw Catharina Mol,leggen zij een verklaring af. Het betreft de vermeende diefstal van Zeeuwse rijksdaalders in een tabaksdoos. Op donderdag 9 januari 1800 was Van Lent in de stal van zijn baas aan het Steegeind, Adriaan van Grinsven kwam bij hem staan. Hij was komen aanlopen van het huis van Johannes Ploegmakers. Hij vertelde hem dat hij daar twee Zeeuwse rijksdaalders (en kort daarop zei hij drie) was kwijtgeraakt. Ze zaten opgeborgen in een tabaksdoos. Hij verdacht de vrouw van Johannes Ploegmakers ervan de rijksdaalders uit het doosje te hebben gehaald. De tweede getuige, Jan van Noort, komt met hetzelfde verhaal. Ook tegen hem heeft Adriaan van Grinsven verteld dat hij drie Zeeuwse rijksdaalders is kwijtgeraakt en dat hij de vrouw van Ploegmakers verdenkt de rijksdaalders gestolen te hebben.
Van een koe
Op zondag 1 mei 1803, ’s morgens om half zes, staat Peter van den Bogaard - de 17-jarige knecht van Hendrik de Laat - voor de deur van Johannes van der Hagen, meestersmid te Lithoijen. Hij zegt tegen Van der Hagen dat zijn baas hem heeft opgedragen om een koe uit zijn stal te halen. Johannes weigerde met de woorden: “op dit moment niet”, maar de knecht houdt aan en Johannes zegt hem dat hij “heer en meester in eigen huis is”. De vrouw van Johannes loopt met de knecht terug naar zijn baas. Ze begint tegen hem te schreeuwen. Zijn baas beveelt hem opnieuw de koe te halen.
Peter is toen voor het huis van Doris van Amerongen door gegaan en via de achtertuin in het achterhuis van Johannes van de Hagen beland. Op de stal was de zoon van Johannes, die zodra hij ziet wat de knecht van plan is, zijn vader gaat halen. Maar vader en zoon komen niet opdagen. Peter heeft daar toen een koe, die met een beugel vastgebonden in de stal stond, meegenomen. Johannes en zijn vrouw zijn die zondagmiddag naar het huis van Hendrik de Laat gegaan en hebben hem 40 gulden geboden, een bedrag dat ze Hendrick schuldig waren. Hendrik weigert het geld te ontvangen. Daarop heeft Johannes van der Hagen het geld ter hand gesteld van de vorster van Lithoijen. Maar ook van hem weigerde Hendrick de Laat het geld aan te nemen.
Van wijn
Hendrina van Raab is 19 jaar oud en geboren te Leeuwen. Zij is werkzaam als dienstmeid bij Jan van Nunen op de berg onder Heerewaarde. Een gerechtsbode heeft haar in de namiddag van 7 mei 1801 om zes uur verzocht naar de raadkamer van de gemeente Lithoijen te komen. Daar legt ze een getuigenis af onder ede. In de nacht van 29 op 30 april 1801 even na middernacht vond een roofoverval plaats bij Jan van Nunen. Met veel geweld werd de voordeur geforceerd en vier mannen drongen de woning binnen. Ze doorzochten het hele huis van vertrek tot vertrek. Hendrina werd door één van de mannen vastgebonden. Ze schat hem zo’n 22 jaar oud; hij was vettig van aangezicht en haar, smal en spits van postuur en omtrent 5 voet lang. Hij had een blauwe linnen kiel over zijn kleren, op zijn hoofd een ronde hoed, en een rode zijden halsdoek om zijn kin gebonden. Hij kneep haar de keel toe en bond haar vast aan handen en voeten.
Zij lag in één bed samen met de moeder van Jan van Nunen. Het gezicht van de oude vrouw was toegedekt. De persoon die Hendrina had vastgebonden trok de bedekking van haar gezicht en zei tot haar: 'ik zal u geen kwaad doen, hartje lief'. Hendrina verklaart ook nog dat één van de vier indringers een grote driekantige hoed op had, een beetje schuin op zijn hoofd staand, en dat hij een blauwe rok droeg. Hij is naar de kelder gegaan met een brandende kaars in de hand en kwam terug met een fles wijn. Daar stopt haar relaas.
Van een muts
Coen Janze is broodbakker te Lith. Samen met zijn vrouw, Maria van Lith getuigt hij dat op maandag 20 maart 1803 tussen 8 en 9 uur bij hem thuis een diefstal heeft plaats gevonden. Uit het achterhuis werden drie hemden en twee tafellakens van de waslijn gestolen en ook nog vijf balen meel en een partij aardappelen. Coen Janze heeft de diefstal daags daarna aangegeven bij de drossaard De Vrij van Lith. Maria van Lith kwam ter ore dat er een muts met kant in de woning van de weduwe van Dirk van den Bergh was aangetroffen die verdacht leek op haar muts.
Zij is direct naar Lithoijen gegaan naar het huis van de weduwe om haar naar de muts te vragen. De dochter van genoemde weduwe, Ardien geheten, maakte en repareerde mutsen. Zij was in het huis van haar moeder en zei tegen Maria dat Catharina Vans, de vrouw van Cornelis Meulengraaf, die woont te Lithoijen bij het kerkhof de muts naar haar gebracht had. Bij het zien van de muts stelde Maria van Lith vast dat het haar muts was. Daarop ging ze naar het huis van Hendrik Coolen om aangifte te doen van diefstal van een muts. Coolen schakelde de vorster in om na te gaan of de muts inderdaad was gestolen van Maria van Lith. Hij beval de muts naar de raadkamer van Lithoijen te brengen. Daar zou de muts blijven tot met zekerheid vastgesteld was dat het de muts van Maria van Lith was.
