In deel 1 van dit verhaal maakten we kennis met de enige joodse inwoner van Vlijmen-dorp in de Tweede Wereldoorlog, Josef Hirnheimer. In dit deel gaan we dieper in op zijn nalatenschap en op de geschiedenis van zijn familie.
Achtergelaten goederen
Op 16 december 1943 krijgt de gemeente Vlijmen een brief van de gemeente Amsterdam dat de politie daar in een ‘Jodenwoning’ het persoonsbewijs van Hirnheimer heeft gevonden en in beslaggenomen.[1] Het gevonden persoonsbewijs wordt meegestuurd. Op het persoonsbewijs van Hirnheimer staat rechtsboven een onduidelijke stempel met een ‘J’. Eigenlijk moet er tweemaal een J op het persoonsbewijs staan, de J naast de foto ontbreekt hier echter, maar uit andere bewaarde persoonsbewijzen blijkt dat een tweede J vaker ontbreekt.


Nadat Josef is ondergedoken wordt zijn achtergebleven inboedel in beslag genomen. In een brief van 12 mei 1943 van de Vlijmense NSB-burgemeester G. Jacob staat daarover: ‘das Möbilar ist untergebracht worden auf den Boden von ehemaligen Postambt. Bezirk B no. 80.’ (Het voormalig postkantoor stond naast het gemeentehuis) en verder: ‘Ob genannter Hirnheimer sich heute in einen Lager befindet ist mich nicht bekannt. Ich habe die Polizei Auftrag gegeben nach Hirnheimer aus zu sehen, aber dieser ist nach 1 April 1943 nicht mehr gesehen.’

opgemaakt door veldwachter Verhoeven (Klik voor een vergroting)
Op 13 november 1943 krijgt de gemeente Vlijmen nog een brief van der Treuhandgeschelschaft Omnia waarin gevraagd wordt of Josef naast zijn woning nog een opslagplaats in zijn bezit had.[2] Uit het register van de Kamer van Koophandel is n.l. gebleken dat hij in hop handelde. Ook wil men weten of zijn woning op de Wolput gehuurd werd van Joden of dat het zijn eigendom was. Verder willen ze weten of er administratie tussen de in bewaring genomen goederen zit. De gemeente laat ze weten dat hij geen opslagplaats heeft en dat er geen administratie bij de opgeslagen meubels is aangetroffen.
Wat er met de meeste van zijn bezittingen is gebeurd is niet meer te achterhalen. In de roerige tijden van de oorlog zullen die wel een (al dan niet een goede) bestemming gekregen hebben.
Bij het Nederlands Beheersinstituut is een dossier aanwezig over het beheer van zijn nagelaten bezittingen onder dossier nr. 90715 t.n.v. J. Hirnheimer.[3] De bewindvoerder is Tiny van Wagenberg.
Het aanwezige vermogen bedraagt ƒ 20.084,59, verder is er aanwezig 1 doublé herenhorloge, 1 kleine schrijfmachine merk Mercedes, 1 kleine schrijfmachine merk Erika, 1 rugzak en 1 paar laarzen. Op 2 mei 1949 bedraagt het vermogen ƒ 19.727,17 en op 29 november 1950 ƒ 20.998,34.
Tiny van Wagenberg krijgt ƒ 700, -- (nu ca. € 2.750,-) voor het beheer. Niet slecht betaald voor het bewaren van wat geld en wat spullen, want het grootste deel van het vermogen bestaat uit vorderingen vanwege hopleveranties. Die vorderingen zijn allemaal door zijn zus Ida geïnd. Op 15 april 1949 wordt M. van Wagenberg ontheven van zijn taak als bewindvoerder en wordt Paul Mokrauer benoemd tot zijn opvolger. De erfgenamen zijn de zussen Ida Hirnheimer te Oss (zij heeft ondergedoken gezeten) en Paula Meijer-Hirnheimer, die in Philadelphia (USA) woont.

Familie Hirnheimer
Tussen 2 maart en 20 juli 1943 worden 34.313 Nederlandse Joden naar Sobibor gedeporteerd, daarbij zijn Josef Hirnheimer en Hadassa Heertjes. Slechts achttien daarvan hebben de oorlog overleefd, zo zegt Jules Schelvis in de documentairefilm Er reed een trein naar Sobibor. Schelvis was een van die achttien overlevenden.
Josefs ouders, Max en Githa Hirnheimer, zijn al op 1 juni 1937 naar Nederland gevlucht. Zij komen in Oss terecht, daar woont al enige tijd hun getrouwde dochter Mathilde. Vader Max, in Duitsland koopman en bankagent, is het jaar daarna op 31 mei 1938 te Oss overleden.
De familie Hirnheimer is een religieuze Joodse familie. In Het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 7 april 1939 staat het volgende artikel: [4]

Uit het huwelijk van Max en Githa Hirnheimer zijn in Duitsland 12 kinderen geboren. Hiervan zijn drie kinderen al op jonge leeftijd in Duitsland overleden.
Vier kinderen zijn in Duitse concentratiekampen vermoord. Van drie kinderen is niet bekend of ze de Holocaust hebben overleefd. Ook een gedenkboek uit Bamberg, hun oorspronkelijke woonplaats, bevat hierover geen informatie. Estrea Hirnheimer (1897), een zus van Josef, werkt al vanaf 8 november 1922 in Amsterdam. Eerst in de huishouding en later in de verpleging. Volgens het vreemdelingenregister is haar lengte 1.55 meter, haar haren zijn zwart en de ogen bruin. Zij wordt naar Theresienstadt gedeporteerd en op 14 oktober 1944 in Auschwitz vermoord. Ook haar zus Mathilde werkte in 1924 als dienstbode in Amsterdam, ze vertrekt weer in 1925 naar Bamberg en trouwt daar met Siegfried Kahn. Hij vestigt zich als slager in Oss. Siegfried, Mathilde en hun beide kinderen worden in 1944 vermoord in Auschwitz.

Recha Hirnheimer, een andere zus van Josef, is gehuwd met Karl Ochs. Zij bleven in Duitsland. Karl sterft na deportatie in het Getto van Riga en Recha in 1944 in het concentratiekamp Stutthof in Polen.[5] Hun dochter Rosi Hanna Ochs, geboren 29 juni 1929, is op 1 juli 1938 naar Oss gekomen, waar ze in de Ridderstraat 38 woont bij haar tante en grootouders. Ze is leerling aan het Joods Lyceum te Den Bosch. Op 6 december 1942 wordt ze ingeschreven in het Meisjesweeshuis aan de Rapenburgerstraat te Amsterdam. Waarschijnlijk is ze begin februari 1943 gedeporteerd naar Westerbork. Rosi wordt op 4 mei 1943 vanuit Westerbork naar Sobibor getransporteerd en daar op 7 mei 1943 vermoord.

Rosi Ochs, met een waarde van ƒ 5,--
Josef's moeder Githa (Gitta) Hirnheimer wordt op 9 april 1943 afgevoerd naar Westerbork en op 29 juni 1943 naar Sobibor gedeporteerd. Daar is ze op 2 juli 1943 vermoord.
Zeker is in ieder geval dat de dochters Ida en Paula de holocaust hebben overleefd.

In Oss zijn in 2014 voor de woningen van hun vroegere Joodse bewoners zogenaamde Stolpersteine (struikelstenen) gelegd. Ze herinneren de passanten aan de gedeporteerde Joden die, tot hun deportatie op dit adres hebben gewoond. Voor het huis Ridderstraat 38 ligt de steen ter herinnering aan Githa Hirnheimer.
Voor Josef Hirnheimer werd op 12 maart 2019 een Stolperstein gelegd bij zijn voormalige woonplaats, Wolput 12 in Vlijmen.


Noten
[1] In april 1941 werden alle Nederlanders van vijftien jaar en ouder verplicht tot het bezit van een persoonsbewijs. Het persoonsbewijs was een onmisbaar hulpmiddel voor het vervolgingsbeleid van de Duitse bezetter. Vooral bij de Jodenvervolging en bij de tewerkstelling in Duitsland bleek iedere keer weer de onschatbare waarde van het persoonsbewijs. Bij Joden was het persoonsbewijs ook nog bedrukt met een grote zwarte J. Een schaduw-archief van de persoonsbewijzen werd in Huize Kleykamp in Den Haag bewaard. Dit archief werd door de Duitsers vaak geraadpleegd. Op verzoek van het Nederlandse verzet werd dit archief op 11 april 1944 gebombardeerd door de geallieerden. Er vielen 59 doden, waaronder ook een aantal Nederlanders die aan het verzet hand-en-spandiensten verleenden.
[2] De Omnia-Treuhandgesellschaft m.b.H. (GmbH) was een Duitse trustmaatschappij, die tijdens de Tweede Wereldoorlog Joodse ondernemingen te gelde maakte (liquideerde) voor het Duitse Rijk. De opbrengst werd meestal gestort bij Lippmann, Rosenthal & Co. (de Liro-bank) in Amsterdam.
[3] Het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) was na de Tweede Wereldoorlog belast met het beheer van vorderingen, vijandelijke vermogens en ontbonden (gelijkgeschakelde en nationaal-socialistische) instellingen. Daarnaast trof het NBI voorzieningen i.v.m. bewindvoering voor rechtsrpersonen en afwezigen (veelal niet-teruggekeerde joden). Tenslotte was het belast met de uitvoering van verbeurdverklaringen.
[4] De synagoge, daterend uit 1831, stond in de Koornstraat en werd later uitgebreid met een school en een ambtswoning en vormde tot aan de Tweede Wereldoorlog het centrum van het Joodse leven in Oss. Na de bevrijding bleek dat de synagoge niet meer te restaureren was. De voorgevel is bewaard en is nu gemeentelijk monument. Aan de Smalstraat, hoek Oude Kerkstraat, is een nieuwe synagoge gebouwd die in 1959 werd ingewijd.
[5] Stutthof was het eerste concentratiekamp dat door de nazi's tijdens de Tweede Wereldoorlog buiten het vooroorlogs Duitsland in gebruik werd genomen, namelijk op 2 september 1939, daags na de inval in Polen. Op 9 mei 1945 werd het (als laatste concentratiekamp) bevrijd.
