Welke geheim verbergt huize Gerra? Wat heeft dat te maken met de moordaanslag op mgr. Zwijsen? Of uiteindelijk zelfs… met de zaak Marietje Kessels? Onderzoeker Gerard Strijards kenschetst, via onder andere Abe Lenstra, Napoleon en Koning Willem I, vanuit een persoonlijke invalshoek dit bijzondere relaas. In deel 4: Een nathals als troonopvolger.

Willems I oudste zoon, Frederik Willem, was als jeugdig baasje, mét zijn gevluchte vader destijds asielzoekend in Engeland vanaf 1795, wat moeizaam aanstuurbaar gebleken. Vooral toen hij heette te studeren in Oxford. Hij bleek seksueel een brede belangstelling te hebben. En zulks niet zonder nader omschreven ongelukken, zoals zwangerschappen. Of ziektes. Het scheen geraden deze jongeling te bestemmen voor een grondige militaire opleiding die hem een zekere discipline en zelftucht zou kunnen brengen. De prins had al een Pruisische basisopleiding gevolgd te Berlijn waaraan hij voornamelijk de snauwende kazernetaal had overgehouden: hij zou alle talen blijven uitspreken met de gutturale klanken die de Feldwebel zo sieren, ook het Nederlands. Om verdere schandalen te voorkómen werd hij ingezet bij een van de talloze expedities van het Britse veldleger op Het Continent, toevalligerwijze in Spanje.
Zo diende hij op het Iberisch schiereiland drie jaar lang in het Engelse leger als een van de aides-de camp van Arthur Wellesly (sinds 1814 ook bekend als de hertog van Wellington), de bevelhebber van het Engelse expeditieleger op het Iberisch schiereiland. Hier maakte hij in 1812 onder andere de zeer bloedige bestorming van het fort van Bajadoz en de succesvolle Slag bij Salamanca mee. Hij ontsnapte meermalen maar nipt aan de dood. De reden dat zijn vader – met wie hij het niet best kon stellen – zo lichtvaardig met het leven van de nathals nam, was dat Willem de laatste troefkaart was waar de Oranje-dynastie nog over kon beschikken in een poging om weer een vooraanstaande rol op het Europees toneel te gaan spelen. Wellesley was niet erg onder de indruk van dat mannetje, dat zich wel erg veel verbeeldde en liet dat ter dege merken. Maar in Holland waren de militaire helden schaars.
In Londen had de jongeling geen beste naam verworven, ook al door onbesuisd kroeg- en bordeelbezoek, maar daarvan was te Den Haag nog niet veel echt doorgedrongen. Toen zijn vader zich in 1815 in de aanloop naar de Slag bij Waterloo uitriep tot koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd Willem officieel troonopvolger. In die periode was hij tot de komst van Wellesley opperbevelhebber van de aanwezige geallieerde Engelse, Nederlandse, Belgische en Duitse troepen. Zijn rol met name in de voorbereiding op de Slag bij Quatre-Bras was cruciaal. Hij zag de strategische waarde van Quatre-Bras en had van tevoren goede afspraken gemaakt met de generaals De Constant Rebecque (zijn vroegere gouverneur) en De Perponcher over hoe te handelen in het geval van een Franse aanval langs deze route. Vooral daardoor wist zijn leger van Belgische, Nederlandse, Duitse en Engelse troepen hier onverwachts stand te houden tegen een Franse overmacht onder maarschalk Ney. Zonder dit succes was er geen Slag bij Waterloo geweest.
Tussen Waterloo en Veldtogt
Held of niet, de troonopvolger bleef voorstander van ontspanningen die zijn reputatie niet ten goede kwamen, had slechte vrienden die dat stimuleerden en vervolgens regelrechte afpersers bleken. Die ook niet te beroerd waren om de schandaalpers te bedienen. Dat berichtten ze de prins tevoren mét als bijlage het te publiceren libel. Er stond dus veel op schrift. Met opgave van tijd, plaats, omstandigheden en mogelijke slachtoffers, want in dit opzicht was de troonopvolger niet eenkennig. Deze drukproeven werden voor alle zekerheid ook ter hand gesteld aan radicale journalisten zoals zekere Eilert Meeter, die heftig tegen de monarchie als instituut was. Hij had verdere publicitaire contacten, want het was wel bekend dat Willem I dergelijke chantagepogingen af placht te straffen via deportaties naar overzeese gebiedsdelen van zijn rijk. Daar zaten ze ook niet op dergelijke kwanten te wachten en weigerden toegangsverschaffing uit hoofde van de te verwachten verstoringen van de openbare orde.
Deze gedeporteerde werd teruggezonden naar het vaderland, waar weer verslag werd gedaan van de ruchtbare aankomst, wederom met de begeleidende stampij. Den Haag raakte er nerveus van. Ook al omdat lieden als genoemde Van Meeter deze berichten breed verspreidden, ook weer ter fine van voortgezette afpersing. De officiële historiografen hebben Van Meeters artikelen steeds afgedaan als leugens en ook zijn uitgebreide memoires geschreven in het Engels, maar sedert onderdelen van het Koninklijk Huisarchief te raadplegen zijn blijkt dat deze Van Meeter waarheidsgetrouw verslag deed van de strapatsen.
Hij werd in Nederland weer eens bedreigd met strafvervolging. Deze keer vermoedelijk met draconische gevolgen. Hij week uit naar Engeland in 1851. En daar gaf hij zijn ooggetuigenverslagen uit met de titel “Holland, Its Institutions, Its Press, King and Prisons”. Hij spaart daarin Willem niet. In 1966 werd het vertaald in het Nederlands en in 2002 kwam een geactualiseerde uitgave ervan uit bij Uitgeverij Aspect te Soesterberg, ISBN. 978-90591-10519. Dus via deze achterdeur waren de seksuele escapes al kenbaar. Waarom het Nationaal Archief en het Koninklijk Huisarchief zolang zo moeilijk deden is dus wat raadselachtig. In de Colleges van Oxford en Cambridge wist men er al alles van, maar van de kook raakte men niet, want de Engelsen zijn van hun koningen en koninklijke families wel erger gewend.
Ontspanningsmomenten te Tilburg
Met opgave, schrijnend genoeg van de slachtoffers. Waaronder Tilburgers en Tilburgertjes. Daar, in dat oord, kwam kroonprins Willem graag. Prostitutie was daar, in tegenstelling tot in veel andere garnizoenssteden, niet gereglementeerd en de danspartijen die Willem in besloten sociëteiten bijwoonde werden getolereerd als 'toelaatbaar kwaad'. Willem heeft menig 'bastaardkind' verwekt. Buitenechtelijke relaties waren in de Nederlandse elite op zich geen probleem - onthouding zou slecht zijn voor de gezondheid - maar het diende wel discreet te worden gezocht en heteroseksueel van aard te zijn. Met beide voorwaarden had Willem een groot probleem. Hij had er méér. Maar lopen we daarop niet vooruit.
De prins was inmiddels getrouwd met de Russische Tsarendochter Anna Palowna Romanow die dat alles wel met lede ogen aanzag, maar toch weinig sporreling maakte. Ze was het in Sint-Petersburg wel erger gewend geweest. Alleen: haar Willempie was zo onbesuisd en onhandig en zocht steeds via tussenkomst van onbetrouwbare roffelaars – pooiers – juist contacten met jeugdigen uit de mindere klassen. Kon dat dan niet anders? En waarom had hij nu juist contact met een extraverte roomse pastoor op Het Heike, ene Zwijsen, die begripvol omging met het zesde gebod naar het heette? Waarom, in vredesnaam, nu weer een voorman van het Roomse Volksdeel waaraan Den Haag zo de pest had? Omdat Willem deze dorpsherder had leren kennen bij de manoeuvres op de Woenselse Heide ter voorbereiding van de operette-vertoning die later manhaftig ingeboekt werd als Tiendaagse Veldtogt. We schrijven 1831.
Permanente surveillance vanwege minister van Maanen
Zwijsen was toen pastoor in Best. In de welvarende Sint Bernulphusparochie waar hij meteen furore maakte door megalomane bouwplannen buiten het ministerie van Binnenlandse Zaken om. Daar zat het departement van Waterstaat min of meer als afdeling ingeschaard en dat besliste over de bouwplannen der Roomsch-Katholieke Geestelijkheid in samenwerking met de Afdeling voor Roomsch-Catholieke Eredienst. Veel mocht niet en de pastoors waren gewoon onder permanente controle vanwege de staat te staan. Dat mishaagde de jonge pastoor te Best deerlijk. Hij zocht dus steun in hogere staatkundige kringen dan referendarisniveau. Zijn kans kwam in 1829, toen koning Willem I op doorreis kwam te Best, op weg naar het steeds woelziekere Zuiden van zijn rijk.
Dat niet duldde, dat de kroon zich bemoeide met Roomsch-Catholieke aangelegenheden. Zwijsen had eerder te kennen gegeven daarmee in te stemmen. Hij stond daarom onder permanente surveillance vanwege de Minister van Justititie van Willem I, Cornelis Felix van Maanen. Die was van oordeel dat het Napoleontisch controlesysteem over de katholieke kerkorganisatie stomweg gehandhaafd moest blijven en eigenlijk, dat deze organisatie neerkwam op een bende wanbedrijvers, kwaadwilligen of kwaaddoeners, of een association des malfaiteurs in de zin van artikel 265, van de Code Pénal, door Napoleon ingevoerd voor Frankrijk en het gebied dat het sedert 1801 had geannexeerd. Waaronder Nederland. Van Maanen meende dat deze Zwijsen al vanaf 1825 samenzwoer tegen de inwendige en uitwendige veiligheid en zelfstandigheid van het Vereenigd Koninkrijk der Nederlanden en zijn activiteiten niet beperkte tot het kanton Oirschot waar Schijndel en Best deel uitmaakten. In Schijndel was deze Zwijsen kapelaan geweest. En daar had hij al vanaf de kansel opgeruid. Daarom noemde deze Van Maanen Zwijsen “een geestelijk despoot en onluststoker zonder weerga”. Mede op basis van ambtsberichten vanwege de Eindhovense Officier van Justitie residerende in het Paleis van Justitie aan het Stratumseind. Het was zaak deze Zwijsen in opspraak te brengen. Dan zou hij wel een toontje lager zingen. Van Maanen had daar handigheid in.
Beteugeling van het muitendrot
Nu was Zwijsen berucht als een sterk opbruisende persoonlijkheid die zijn gevoelsontremmingen niet goed de baas kon. Hij was uitermate rechtlijnig, geneigd tot confronterend optreden en niet vies van autoriteitsargumenten tot in het ongerijmde, zeker in het geestelijk domein. Veel weten we niet van ’s mans opleidingen aan de klein- en grootseminarieën in de Meijerij, te Herlaer en Haaren, maar een doordesemde intellectueel is hij nooit geworden en evenmin een specieus wetenschapper. Speculaties over het onzienlijke en de heilsbestemming der mensheid waren aan Zwijsen niet besteed. Hij was echt een administrator of manager, die eigenlijk ook niet veel weten wil van de praktijken “uit het veld” die door geen maakbaarheidsmodel te sturen zijn en waarbij duchtig geïmproviseerd moet blijven worden omdat de mens niet te standaardiseren is naar abstracties.
Juist daarom was Zwijsen erg thuis in de kazerne-mentaliteit die destijds de seminaries beheerste en die we niet goed meer kunnen navoelen wegens het zelfbedachte, hortigere en kunstmatige seminarielatijn dat destijds gefrequenteerd werd en dat nog het meest doet denken aan het Esperanto of Volapük uit de twintiger jaren van de vorige eeuw, ontworpen om de taal der Volkenbond te worden en als zodanig een wereldomspannende mislukking. Zwijsen eiste orde, tucht en besef van de plaats die men moest innemen in de sociale strata. Maar zelf bracht hij dat niet op. Integendeel, zijns ondanks trad hij hinderlijk en stuitend steeds weer in het strijklicht der schijnwerpers, zijn publiek en gehoor met verbijstering achterlatend, éérst vol wrok en daarna vastbesloten deze manifestaties die mensen sprakeloos maakten te vergelden.
Zwijsen doet in méér dan één opzicht aan Pim Fortuyn Zaliger Nagedachtenis denken. Een man die zegt wat hij denkt en ook nog doet wat hij zegt. Terwijl Pimmetje óók nog iedere originaliteit in anderen mistrouwde en overal prestige-conflicten veroorzaakte, van de prins geen kwaad wetend. Zo laat Zwijsen zich ook kennen in de zomer van 1829 toen Willem I overwachts te Best passeerde. Het gemeentebestuur van Best was ingelicht dat de koning zich verwaardigde het te ontvangen in zijn koets aan “de steenweg op Eindhoven”. De koning wenste de grieven en invectieven van de Bestenaren te kennen. Het was staatsgeheim, dat hij dat zou doen. Want aanslagen dreigden. Brabo’s, nietwaar? Dat waren een soort katholieke muitelingen. Aldus had Van Maanen alvast gewaarschuwd. Het was een drot dat verre moest blijven.
Niet zonder zenuwen stonden de notabelen de aandaverende koets af te wachten waarvan het linkerportier zou openzwaaien nadat de heiduk was neergelaten. Maar nog vóór dat zulks geschiedde, ontmaakte zich uit de bosschages de struise gestalte van pastoor Zwijsen, met almaviva omkleed. Hij liet de duk neer en sprak de koning toe in het Latijn dat de vorst verbijsterd aanhoorde. De monarch wenkte de geestelijke in te stijgen om nadere informaties te geven, maar Zwijsen nam ook zitplaats, trok het portier toe, op het dak kloppend, zodat de koetsiers beduusd de disselboom op zijn wenk aantrokken. De palfreniers kregen opdracht te gaan naar de speciaal versierde Bestse pastorie, net opgeleverd en één van de gebouwelijkheden waar Van Maanen tegen geprotesteerd had. Daar prijkte een fraai Latijns jaarschrift ter ere van de vorst, die vervolgens binnen genood werd ter verfrissing. Wel groette de pastoor, voorbijrijdend, de Bestse notabiliteit die als een toom verschrikte kapoenen zich in berm en beemd schaarde. Het zette de reputatie van Zwijsen kracht bij vooral jegens Van Maanen. Zeker, toen deze getoogde muiteling zich voorstelde Willem de kroonprins uit te leggen hoe hij het Belze Muitendrot moest regisseren. Tot eer en glorie van eigen naam.


