Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Geheimzinnig Gerra V -  De Brusselse omwenteling van 1830

Geheimzinnig Gerra V - De Brusselse omwenteling van 1830

Gerard Strijards

30 april 2025

Bijgewerkt op 30 april 2025

Welke geheim verbergt huize Gerra? Wat heeft dat te maken met de moordaanslag op mgr. Zwijsen? Of uiteindelijk zelfs… met de zaak Marietje Kessels? Onderzoeker Gerard Strijards kenschetst, via onder andere Abe Lenstra, Napoleon en Koning Willem I, vanuit een persoonlijke invalshoek dit bijzondere relaas. In deel 5: De Brusselse omwenteling van 1830.

Lees eerst deel 4

Zwijsens tijd kwam toen Willem I te maken kreeg met de Belgische Afscheiding van 1830 in de hoogzomer van dat jaar. Die overigens mede te Parijs was voorbereid. In de Muntschouwburg werd een provocerende opera opgevoerd waarin het volk werd aangezet in larmoyante aria’s, in de Franse taal gezongen, eigen staatkundig lot ter liefde van het Vaderland in de hand te nemen. Dat gezang plantte zich voort in vóór die schouwburg al samenrottende volksmassa’s die deze strofes ook begonnen uit te brullen zonder ze recht te begrijpen – Brussel was nog grotendeels Nederlandstalig – daartoe aangemoedigd door jeneveruitdelingen van kennelijk tevoren geconsigneerde brigades.

De massa stortte zich vervolgens op de woningen van welgestelden te uitgeplunderd werden. De notabelen zagen hun bezittingen bedreigd en stelden vast dat de Hollandse politionele troepen niets deden, althans niets noemenswaardigs effectief. Daarop riepen deze welgestelden burgerwachten en schutterijen op om dan de rechtshandhaving maar in eigen hand te nemen. En vervolgens ontplooide zich dat systematische initiatief tot een staatkundige omwenteling waarvoor eerst nog naarstig naar de bijbehorende doelen gezocht moest worden. Met nationale collectieve zelfbestemming had het weinig te maken.

De weigerachtige garanten van 1815

Willem I dacht nu te kunnen rekenen op de garanties die Rusland, Groot-Brittannië en Pruisen hem bij de toescheiding van 1814 hadden gegund. Maar nada. Hij moest zichzelf maar redden. Waar was het volksleger dat hij in 1813 al had zullen oprichten? Dat was er niet; de Nederlanders waren tegen de bijbehorende universele persoonlijke dienstplichtigheid geweest. Willem besloot daarom, nu hij geen hulp kon verwachten, een Nationale Wapenroep te richten tot de stemgerechtigde burgerij. Hij was er de man niet naar om nu wel een volksmilitie op te roepen via jaarlichtingen, want het volk bewapenen, dat was een veel te groot risico in 1831. Dat volk kon zich weleens tegen de Oranjes richten.

Daarom besloot Willem het opperbevelhebberschap op te dragen wat het Nationale Veldleger betreft aan zijn zoon, de kroonprins. Die ontmaakte zich direct naar zijn geliefde Brabant en sloeg diverse kampementen op, met hun wigwamachtige tenten en gebrekkige logistiek, vooral wat betreft de latrines, de fouragering en de rijdende artillerie. In Gilze-Rijen, maar ook bij Oirschot. In Eindhoven, een van de voor de handliggende uitvalsbasis, werden de deftige soldaten en officieren bij particulieren ingekwartierd, terwijl het oude kloostergebouw Mariënhage te Woensel werd bestemd als centraal legeringsdepot. De nieuwe opperbevelhebber kende Tilburg al als oord van ontuchtighedens, boert en jokkernij, schafte zich fraaie goudbetreste uniformen aan met enorme schouderpassanten waarop de gekruiste maarschalkstaven die hij bij Wellington zo bewonderd had. Zo moest het toch allemaal wel lukken, vooral omdat de mare ging dat de Belgen gebrekkig bewapend waren, nauwelijks behoorlijke ammunitie hadden en nauwelijks een verzorgingstros. Vader Willem had deze generalissimo verder verwezen naar de forse pastoor te Best, die hem wat betreft die logistiek wel op dreef zou kunnen helpen en die ook bekend was met de diverse terreingesteldheden der beoogde divisionaire concentratiepunten, ene Zwijsen, als Willem zich niet vergiste.

Bacchanalen te Best

Die wist van wanten en was cordaat met de bevolking die men nauwelijks kon verstaan als beschaafd mens. Men had deze lieden nodig, want de troepen zouden voornamelijk van het land moeten leven. De divisies hadden geen echte onderhoudstrein met keukenwagens. Als kwartiermaker zond Willem alvast Gerrit, Graaf Schimmelpenninck, heer van Nijenhuis en Peckedam. Deze was ook erg beducht voor zijn lichamelijk welbevinden en de bijbehorende distractie, dus dat zou best schikken. Zwijsen bleek in dit opzicht van alle markten thuis en geenszins eenkennig.

 De verbaasde parochianen zagen hun pastoor innig gearmd met de maarschalk rondtobben, vol zoeten wijns en steeds ook zoekend naar ontuchtig vertier, want op één been kan men niet staan en een mens is niet van steen, zoals de jongedochteren en welgeschapen tierige knapen op locatie spoedig mochten ervaren. Het werd allemaal aan Van Maanen gerapporteerd, met namen, toenamen, tijd en plaats. Die nam daar gramstorig kennis van. En borg het verslagene in het archief. Dat kon nog weleens van pas komen. Want de dagen van Vader Willem schenen geteld. Frankrijk zat er overduidelijk voor iets tussen, wat die Belze opstandigheden en wederspanning betreft en als Willem niet oppaste was hij aanstonds kroon, scepter en rijkappel kwijt, terwijl zijn zoon zich opperbest vermaakte. Te Best.

De manoeuvres op de Woenselse Heide

Inmiddels had de bloem der natie antwoord gegeven op de Wapenroep van Willem I. De bemiddelde jongelingschap uit de deftige burgerstand en uit de patriciërsfamilies hadden de roep verstaan en ingewilligd. Ze bekostigden zelf hun uniformering, zijdgeweren en lijfswapenen en soms hun paarden en gerij. Van de rijksoverheid werd wel verwacht dat zij zorg droeg voor de primaire encadrering, daaraan verbonden logistiek en de artillerie. Sommige zeer vermogenden bekostigden de uitrusting van hele brigades en bataljons. Zoals de huzaren van Boreel. En er waren ook ervaren opperofficieren, die overigens de hele onderneming met lede ogen aanschouwden en zelfs ondergingen.  Maar dat bleef uitzondering. Het resultaat was een leger van vier divisies van zeer uiteenlopende samenstelling, vuurvaardigheid, disciplinering en oefening in grotere verbanden. Men schat dat de direct inzetbare vrijwillige miliciens het getal van 25.000 niet overschreed. Op den duur wies het aantal tot ongeveer 37.000. Daarvan bestond de meerderheid uit jongvolwassenen die nog nimmer in het vuur waren geweest en zeker niet gewend en opgewassen waren tegen langdurige manoeuvres bestaande uit opeenvolgende dagmarsen waarbij men geacht werd zelf te voorzien in de persoonlijke vivres, op het lijf te dragen, en daarna te leven van wat het veld aan eetbaar gewas kon opleveren, terwijl nauwelijks voorzien was in treinen waarmee drinkwater per vat kon worden aangezeuld.

Verder waren er nog de opvallende studentenweerbaarheid compagnieën. Zoals die uit Leiden, Utrecht en Groningen. Die schitterden wel door hun fraaie uitdossing. Maar vielen vooral op door hun geringe frustratietolerantie. Het aantal vrijwilligers dat zich aanmeldde naar aanleiding van de oproep van koning Willem I om de wapens op te pakken viel echter tegen, waardoor hij zich genoodzaakt voelde om de gewestelijke en stedelijke schutterijen op te roepen voor actieve velddienst. Deze troepen waren uiteraard niet op korte termijn te integreren tot een op elkaar ingespeeld militair apparaat dat adequaat reageren kon op de verschillende trompetsignalen in het veld. De officieren werden doorgaans gekozen uit de bovenklassen, die zelf de eerste uitrusting konden bekostigen waarbij niet gekeken werd naar enige oefening, militaire expertise of krijgshaftige aanleg, zodat een eerste notarisklerk soms luitenant werd van een troep veteranen uit eerdere oorlogsbedrijven die met minachting hun commandant zagen schutteren om carré te vormen en bestendig vuur te doen geven door de linieën daarbinnen.

Het gold een welvarend, maar toch onsamenhangend militair zootje dat op avontuur uit was maar doorgaans bij geconcentreerd vuur niet wist hoe snel dekking te zoeken.  Waarbij het land van de Brabo’s vooral werd gezien als leverancier van brave meiden die meteen ook konden gelden als publiek proefstation voor de makkelijk opgewekte lusten van de adolescenten die hun dapperheid vooral ontleenden aan de wijnfusten die de cantinières en zoetelares in hun gevolg meetorsten aan de draagriem. Deze bende moest nu concentreren voor eerste massale afmars op de Woenselse Heide, zulks om hun opperofficieren te herkennen naar uitdossing, gelaat en opstelling in de afwachtingsposities voordat het Veldleger de grens naar Belgenland bij Poppel overtrok.

De parade verliep niet volgens Pruisische exactheid omdat de miliciens zich al behoorlijk van alcoholica hadden voorzien sedert het ochtendkrieken waarbij het pas markeren op de ruige heidepollen tussen de drassen niet steeds verliep zoals theoretisch geboden was. De dagboeken van de deelnemers aan deze charade gewagen dan ook van een wat kermisachtige schertsvertoning die overigens de moed deed wassen. Als dit oorlog was, dan wilden de Leidse Jagers wel dat het iedere dag oorlog was. Deze emotie kon hun opperbevelhebber niet ontgaan, ook al zwaaide ook hij bedenkelijk in het zadel en ook al had hij tevoren er zwaar nachtwerk van gemaakt met de Bestse deernen en knapen die een veldmaarschalk wisten te gerieven op aanwijzingen van de pastoor.

De Belgen vechten tegen de afspraak in terug

Die hier de basis legde voor een lucratieve vriendschap die in het staatkundige nog menige vrucht zou dragen. De veldtocht viel overigens niet echt mede. De Belgen bleken zelfs terug te schieten hoewel beloofd was door de Nederlandse legerleiding dat dat verboden was. En dat de Belgen niet beter wensten zich vreedzaam over te geven, bewogen door het inzicht dat de Hollanders superieur waren. Het oorspronkelijke doel van de veldtocht was een rechtstreekse aanval op Brussel. Van dit plan werd afgeweken naar aanleiding van een aantal inlichtingenrapporten die de verspieder en kondschapper kolonel La Sarraz vanuit Aken verstuurde.

Deze La Sarraz beweerde dat er bij de bevolking in het Zuiden ontevredenheid heerste over de revolutionaire regering. Het nieuwe doel van de veldtocht was om de Belgische bevolking in staat stellen om door middel van een orangistische contrarevolutie de revolutionaire regering te verdrijven. Het plan voor de veldtocht zelf was het drijven van een wig tussen de twee Belgische legeronderdelen die op twee dagmarsen van elkaar gestationeerd waren: het Maasleger ten oosten van Hasselt onder leiding van luitenant-generaal Nicolas Joseph Daine, en het Scheldeleger in de buurt van Antwerpen onder leiding van luitenant-generaal Michel-Balthasar de Tiecken de Terhove.

De opzet van de veldtocht behelsde eerst het Maasleger op te rollen en daarna het Scheldeleger te verslaan. Dat bleek echter niet echt doenlijk voor de Nederlanders. De Belgen wilden niet. Dat leidde dan ook hier en daar in de Hollandse gelederen tot rechtmatige paniek. Deze vielen onder Turnhout ijlings terug omdat het gekkenwerk was. Het oorlogvoeren bleek soms toch levensgevaarlijk. En daar hadden de academische proffen de studenten niet eerst op gewezen. De opperbevelhebber gaf nog te kennen dat hij niets kwaads in de zin had. Maar daar bleek de vijand niet van te doordringen. Met de Bestse pastoor kwam de veldmaarschalk dan ook later overeen dat vader Willem er allemaal buiten moest worden gehouden. Helemaal. Zo ontstond een relatie waarbij de wederpartijen elkaar wederkerig in de ban hielden.

Lees ook de andere delen

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

Geheimzinnig Gerra V - De Brusselse omwenteling van 1830 | BHIC