Welke geheim verbergt huize Gerra? Wat heeft dat te maken met de moordaanslag op mgr. Zwijsen? Of uiteindelijk zelfs… met de zaak Marietje Kessels? Onderzoeker Gerard Strijards kenschetst, via onder andere Abe Lenstra, Napoleon en Koning Willem I, vanuit een persoonlijke invalshoek dit bijzondere relaas. In deel 7: Een mistig vermogensdelict in Huize Gerra

Aan regeringszijde was de gedachte, dat het concordaat omdat het getekend, bevestigd en zonder interpretatieve reserves was aanvaard door beide partijen door volmaakt bevoegde gezagsdragers aan beide zijden deel was gaan uitmaken van het Nederlandse publieke recht. Dat zou nu óók het uitgangspunt zijn. Het concordaat aanvaardde verder de universele immuniteiten en exterritorialiteiten die gangbaar waren, destijds, in het volkerenrechtelijk dwingend gewoonrecht. Tenminste, voor zover het exempties gold betreffende de territoriale jurisdictie van de staat der Nederlanden ten behoeve van het diplomatieke verkeer, mét de bijbehorende consulaire capitulaties. Een bisschop met potestas iurisdictionis atque ordinis, residerende op een buitenlandse zetel – zoals te Gerra – kon daar beslist onder vallen, indien de gerechtigde daarop aanspraak maakte zoals dat in 1559 ook al usance was geweest.
Daarnaar verwees het concordaat in 1801 al en daarop bouwde dat van 1827 voort, dat bleek beslist uit de inleidende rechtsoverwegingen en onderliggende uitgewisselde stukken, ook de zogezegde non-papers. De stukken die de intenties van de Hoge Verdragsluitende Partijen onderwerpsgewijs uitwisselen, mét de randschriften, glossen, renvooien en reserves, mits alle door parafering geauthentiseerd en gedateerd. Zwijsen had niet verheeld dat hij daarop ook aanspraak kon maken. Het gold bij deze stukken steeds apostilles die niet gedrukt worden meegezonden en dus geen deel uitmaken van het daarop startende wederzijdse wetgevingsproces ter implementatie van het verdrag voorzover dat operatieve artikelen bevat.
Zwijsen persona non grata bij de liberale dagbladpers
Zwijsen wist veel te goed dat hij te Den Haag niet onbesproken was en dat de vijandige dagbladpers alles zou aangrijpen om, hem hoe dan ook in diskrediet te brengen. Dat was tijdens de ontplooiing van de Aprilbeweging navrant gebleken. Het antipapisme was opgelaaid als de spreekwoordelijke ondergronds veenbrand die zo moeilijk te bedwingen is. En in zijn geval gold ook nog dat hij, als Willem II, steeds beschuldigd was van sodomie, ook met onderhebbenden die door feitelijke gezagsverhouding afhankelijkheden vertoonden van de kerkvorst te Gerra. Iemand als Floris van Hall, de opvolger van Thorbecke, wist daar alles van. En hij was een gezaghebbend staatsman die de vijftiger en zestiger jaren van de zo bewogen XIXe eeuw politiek in deze moerasdelta, die nog steeds geen plaats had verworven in het Concert van Europa, zelfs niet door dissanten te produceren via de piccolo, dat thans contrapuntisch aangeheven werd om de scheiding van kerk en staat te verankeren. Thorbecke wist dat Van Hall het wist en hij had vele vooraanstaande katholieken gewaarschuwd. En dat wist Zwijsen dan weer. Hij moest tot iedere prijs vermijden in opspraak te komen. Van hem hing immers de nationale emancipatie van de katho’s af.
Een daverend schot op een bisschop van Gerra

Op dinsdag 14 juli was Zwijsen naar Loon op Zand gereden met het vierspan ter gelegenheid van het zilveren jubileum van de pastoor aldaar Henricus Sporenberg. Hij had, als gewoonlijk op deze rit enige lang vertrouwden bij zich. Waaronder zijn huisknecht Jan van Veen. Met deze had Zwijsen een merkwaardige, moeilijk voor omstanders te plaatsen, liefde-haat betrekking. Ven Veen heeft zich daarover mondeling en schriftelijk daarover meermalen wat schemerachtig, broeierig en innerlijk tegenstrijdig uitgelaten, ook in brieven gericht tot Zwijsen zelf. In de valavond van 15 juli daaraanvolgend gaat Zwijsen weer naar zijn Huize Gerra terug. In de vroege ochtend galmt een luide knal door dat huis. Zwijsen belt de dienstboden.
Deze waarschuwen ’s bisschops secretaris B. ter Braake, die op dezelfde verdieping slaapt. Vrouwen immers mogen niet zonder mannelijke begeleiding de episcopale slaapkamer betreden, indachtig het non solus cum sola dat de priesterschap sedert het concilie van Trente plichtmatig moet hanteren in privatim. Men vindt Zwijsen op de grond in een bloedplas en met een kogel in het lichaam. Zwijsen beduidt dat men hem in bed moet helpen en dan begint een cataract van uiterst merkwaardige incidenten dat Marilou Nillesen bekwaam beschrijft, kennelijk steunend op het ambtsedige relaas opgemaakt door de griffier van de veel later ontboden rechtercommissaris Jhr mr. J.B. A.J.M. Verheijen te Den Bosch, jhr mr. Melort. Het is een eerste versie van de toedracht, de kennelijke aanslag, de gevolgen, aan de hand van opgaves van Zwijsen zelf. Die meteen doet blijken géén interventie vanwege Justitie te willen, zie https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/wie-pleegde-de-moordaanslag-op-mgr-zwijsen.
Het verhinderen der geregtelijke instructie
Jan van Veen slaapt in Huize Gerra op de tweede verdieping. Hij wordt naar eigen opgave niet wakker van het schot en evenmin door het gestommel van de dienstboden die op zoek zijn naar de sleutel tot het trappenhuis. Die sleutel zit doorgaans aan de binnenkant van de deur van Zwijsens slaapkamer. Maar nu niet. Het instrument prijkt op de binnendeur van Jans kamer. Die opent het trappenhuis, waarop de boden naar beneden stommelen en tot hun schrik de buitendeur wagenwijd zien openstaan. Jan begeeft zich middelerwijl naar Zwijsen. En hij breekt daar in smart en compassie los. Zeer overdreven, zeggen de toegesnelde huisgenoten later, huichelachtig, waarop Zwijsen ook wat verkrampt reageert.
Uiteraard wordt de bisschoppelijke curie te Utrecht en Den Bosch verwittigd van het geval. Zwijsen is immers én bisschop en aartsbisschop tegelijkertijd. De geestelijkheid van beide diocesen komt de opwachting maken. Maar het parool van Zwijsen is: geen verdere ruchtbaarheid en vooral geen communicaties aan de Bossche Justitie, de substituut-officier van justitie mr. F.A.J. van Lanschot en de waarnemend procureur-generaal mr. J.B. baron van Hugenpoth tot den Berenclaauw aldaar. Het is bijna vragen om lekken naar de periodieke pers. Dat gebeurt dan ook. Een stortvloed van publicaties met gissingen, toespelingen en verdenkingen is het automatisch gevolg. Het wordt een schandaal. Waarom geen aangifte of klachte gedaan? Wat heeft deze Zwijsen dan te verbergen?
Waarom opent het Openbaar Ministerie geen ambtshalve gerechtelijke instructie? Wat zit daarachter? Is er dan geen bewijsmateriaal dat een redelijke verdenking schraagt, ook niet op het eerste gezicht? De veel te laat ontboden dokter Landman, die de eerste medische hulp heeft verleend aan “de hooge lijder” hééft inmiddels toch aangifte gedaan, omdat hij vreest anders reputatieschade te lijden. Er zijn nu waarachtig veel te veel mensen op de hoogte van dat schot. En die dokter heeft een ambtseed die hem verplicht politie en justitie te informeren. Hij heeft zich te dien einde dan aar gewend tot het hoofd plaatselijke politie gewend, de burgemeester te Haaren, M. van den Oever. Die heeft eerst overlegd met Zwijsen en pas toen het verhaal van Landman omgezet in een ambtsedig proces-verbaal. Dat erg vaag is. En dus ook weer vragen opwerpt. Kortom: Zwijsen laat niet na de gang der gerechtelijke justitie te frustreren. Dat is de algemene indruk.
De positie van de minister van Buitenlandse Zaken te dezen

Inmiddels is Thorbecke weer terug als minister-president. En als er iemand is die wéét, bijna aan den lijve, hoe gevoelig deze aanslag ligt of kan uitpakken, dan hij, deze oude liberale rot. Thorbecke weet ook dat de vraag naar de status van Huize Gerra en een bisschop in partibus infidelium, dus zetelend pro forma in het buitenland, ligt. Heeft het gebouw de status van direct werkende exterritorialiteit? En heeft deze bisschop immuniteit? Kan hier het concordaat 1827 betekenis hebben? Weet Rome van deze aanslag? Heeft het te dezen reserves en houdt het ervoor dat deze aanslag geacht moet worden op Zwitsers territoir te zijn begaan? Heeft volgens de staatssecretaris kardinaal Antonelli Zwijsen immuniteit in te roepen, ook als hij mocht gelden als noodzakelijke deelnemer aan deze aanslag? De internuntius Vecchiotti te Den Haag was teruggeroepen naar de zendstaat en opgevolgd door Oreglia. De eerste kon met Zwijsen niet best door één deur. Maar de tweede was te dezen nog blanco. Maar hij had op 16 juli 1863 Rome op de hoogte gesteld van het merkwaardig gebeuren in Huize Gerra. Met verzoek om instructies. En gek genoeg had Oreglia óók nog het Romeinse missiedepartement, het discasterium de propaganda fide geïnformeerd met gelijk verzoek, in wel gericht aan kardinaal Barnabo van dat ministerie. Voorlopig schoof Thorbecke daarom de zaak nu door aan Buitenlandse Zaken. Dat zou tijdwinst betekenen, want deze gecompliceerde zaak kon landspolitieke consequenties hebben.
Aangezien ik de officiële stukken inzake ondergemelde aangelegenheid in mijn pigeonhole had gestopt op het Nationaal Archief kon ik niet meteen opgeven wie de Officier van justitie had verzocht tot nadere instructie tegen Zwijsen. Dat blijkt toch de minister van Buitenlandse Zaken te zijn geweest in het tweede kabinet-Thorbecke Van Zuylen van Nijeveldt en later Van der Maesen de Sombreff bij wiens ministerie het departement voor Roomsch-Katholieke Eredienst was ondergebracht, waarvan politiek verantwoordelijk bewindspersoon in 1863 was: Karel Adrianus Meeussen (Bergen op Zoom, 9 maart 1815 – Den Haag, 24 januari 1884).
Meeussen was een katholieke volgeling van Thorbecke. Enige jaren was hij Tweede Kamerlid voor het district Breda, waar hij ook rechter was. In het tweede kabinet-Thorbecke was hij een half jaar minister voor RK-eredienst. Na het opheffen van zijn departement werd hij benoemd tot staatsraad. Meeussen vond dat de zaak tegen Zwijsen en diens deelnemers in de gefingeerde inbraak onder hem ressorteerde omdat het een kwestie was competerende onder het Pauselijk Hof te Rome (Romeins Hof), omdat destijds de Paus -- Pius IX -- nog staatshoofd was van de kerkelijke staat die noord- van zuid-Italië scheidde terwijl Zwijsen Apostolisch Delegaat was en protonotaris was van Gerra in partibus infidelium.
Hij was dus hoezeer Nederlander ook buitenlands ambtenaar die wellicht diplomatieke immuniteit kon genieten ingevolge het concordaat van 1802. Meeusen wil weten of sprake is geweest van enig misdrijf naar de Code Napoléon in deelneming door Zwijsen en anderen begaan, nog voortvloeiende uit erotische betrekkingen voordat het besluit "Ex Qua Die" van 1853, strekkende tot herstel der bisschoppelijke hiërarchie in Noord-Nederland, de zogeheten "missio Hollandia" executoir werd en zo ja, of dan daarop klachten van (vermeende) slachtoffers zijn ingediend ter stuiting van de strafvorderlijke verjaring.
Meeussen vond dat Zwijsen geen immuniteit kon genieten naar Nederlands recht maar wellicht wel naar volkerenrechtelijke gewoonteregelingen, waarnaar die Code ook verwees. Meeusen was een klassiek liberale volgeling van Thorbecke, die overigens de kerkelijke staat erkende en ook diplomaten uit die staat de gestandaardiseerde exempties gunde. Dus immuniteiten en privileges strekkende tot ontslag van iedere rechtsvervolging binnen de territorialiteitsstaat. Als Thorbeckiaans Tweede Kamerlid sprak hij onder meer over algemene zaken betreffende het binnenlands bestuur en de organisatie van de justitie, pensioenen, financiën en verder, meer technisch legislatief, het wetsvoorstel inzake jacht en visserij.
Hij interpelleerde voorts uitvoerig in 1856 minister Simons over het houden van godsdienstoefeningen buiten kerkelijke gebouwen. Meeussen gold als een algemeen geverseerd politicus en geenszins als een katholieke geestdrijver. Hij vond, gelet op het feit dat Rome nu aanspraak kon maken op gemeen overleg, dat de zaak onder zijn politieke verantwoordelijkheid viel en niet onder die van de minister van Binnenlandse Zaken. Thorbecke haalde opgelucht adem: hij had met de Aprilbeweging heel wat leergeld betaald. Hij wilde daarom ook dat deze aanslagkwestie dilatoir – met opzettelijke bureaucratische vertraging -- werd afgedaan. Want hij zag de bui al hangen.
De Officier betwistte destijds dat Buitenlandse Zaken te dezen competent kon zijn en beriep zich op een ambtsbericht van Justitie. Dat moet ik nog zien op te vissen. Want ook hier is de documentaire ingang niet makkelijk te vinden. Het kabinet-Thorbecke II was een liberaal Nederlands kabinet van 1862 tot 1866. Thorbecke was tegen bevoorrechting van welke kerkelijke gezindte dan ook. En men kon bezwaarlijk ontkennen dat de immuniteitspositie van de bisschop van Gerra daar kwesties over oprakelde. Dit tweede kabinet onder leiding van Thorbecke richtte zich vooral op versterking van de economie. Het is, zo heet het, 'met de spade op de schouder' aangetreden. Dáár wilde Thorbecke nu alle aandacht aan geven, ook omdat een recessie gaande was. Het kabinet wist formele wetten over nieuwe waterverbindingen, over verbetering van het middelbaar onderwijs, en tot verlaging van invoerrechten en opheffing van gemeentelijke accijnzen tot stand te brengen. De ministers zijn allen oprecht klassiek liberaal. Zij wensen dus een absolute scheiding van kerk en staat. Daarom willen zij intrekking van de Wet op de Kerkgenootschappen van 1855 waarbij bijzondere regelingen voor geestelijken zijn voorzien in het publieke domein.
In 1865 krijgt het kabinet te maken met een affaire die leidt tot het aftreden van de minister van Financiën. Korte tijd daarna ontstaat een intern conflict, waarna Thorbecke en Olivier hun ontslag indienen. De anderen blijven aan. Aldus weet Thorbecke de zaak op te rekken en uit te stellen. Want vervolging van Zwijsen, dat zou hij wellicht niet overleven.
De houding van Justitie jegens de Tweede Kamer
Als Zwijsen wellicht gechanteerd werd door zijn huisknecht die wist van homofiele relaties ten bezware van de bisschop, reeds stammend vanaf 1831, verklaart dat waarom Zwijsen destijds hemel en aarde heeft bewogen waarom deze knecht niet werd verhoord in een geregtelijke voorinstructie op basis van de Code d'instruction Criminelle-1812. Deze knecht zou ongetwijfeld zijn broodheer er bij gelapt hebben, want deelname aan sodomie was een zwaar vergrijp tegen de openbare orde destijds. Ook het slachtoffer, dat vervolgens ging chanteren, was zwaar aansprakelijk, maar degeen die de ontucht vereiste nog méér. Was deze immuun voor strafvorderlijke vervolging, dan was de noodzakelijke deelnemer -- het slachtoffer -- dat evenmin. De Code Napoléon kende een absoluut legaliteitsbeginsel. Het Openbaar Ministerie moest vervolgen als er voldoende bewijs van een misdrijf of wanbedrijf bestond, zo, dat de verdenking van daderschap – en welke vorm dan ook – een redelijke was. Een verdenking die rechtsingang mogelijk maakte bij de correctionele strafrechter. Het Openbaar Ministerie mocht niet zelf beslissen om, op gronden aan het algemeen maatschappelijk belang ontleend, de vervolging na te laten. Dat kon het alleen maar doen, op aanwijzing van de politiek verantwoordelijke minister van Justitie. Die kon in aanmerking nemen dat er omstandigheden waren om toch te seponeren, dat wil zeggen: vervolging na te laten. De reden voor deze vervolgingsplicht was: het borgen van het algemeen gelijkheidsbeginsel, dat iedereen gelijkwaardig was voor de algemene strafwet. Dat dus geen vervolgingsuitsluitingsgronden bestonden wegens de geestelijke status van de verdachte of zijn adeldom of buitengewone maatschappelijke burgerlijke rang, zoals die van patriciër. Gaf de minister zo’n aanwijzing, dan moet deze goed gemotiveerd zijn. Daarvoor was die bewindspersoon dan parlementair politiek verantwoordelijk. De volksvertegenwoordiging kon de toereikendheid te allen tijde toetsen.
Er waren daarom weinig delicten die alleen maar vervolgbaar waren na aangifte, klachte of een bijzonder verzoek van belanghebbenden. Kon de minister niet rechtvaardigen waarom geseponeerd was, dan kostte het hem zijn ambt en soms ook zijn hoofd. Tegenwoordig is het juist, op basis van het Wetboek van Strafvordering in 1927 vastgesteld, andersom. Er is nu een algemeen opportuniteitsprincipe: de vervolging moet een positief maatschappelijk belang dienen. En of dat zo is, mag het Openbaar Ministerie zelf als onderdeel van de rechterlijke macht, beslissen onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister van Justitie, die dan ook hoofd is van dat Openbaar Ministerie.
Dat impliceert overigens wél het risico van klassenjustitie en daarom hebben belanghebbenden het recht om het Hof van het ressort waar het sepot heeft plaats gehad te vragen om alsnog de vervolging te gelaten. Men noemt dat een verzoekschrift ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Stafvordering. Dit verzoekschrift wordt steeds vaker ingediend en vaak met vrucht. Het wijst toch ook wel op zekere politisering van de strafvervolgingsbevoegdheid. En dáár was men tussen 1813-1927 terecht bijzonder beducht voor. Men vreesde dat de elite, waar de zittende magistratuur per definitie toe behoort, de eigen kringen steeds zou sparen of met de vervolgingsbeleidsmiddelen zou manipuleren om sociale vijanden onschadelijk te maken via strafsancties. Een vrees die steeds vaker terecht blijkt te zijn.
A-fortiori was dat zo in de XIXe eeuw met zijn sterk gelaagde standenmaatschappij en de steeds onschendbaar wordende bovenlagen. Het tweede kabinet-Thorbecke was daarvan doordringen. Thorbecke kwam zelf uit de kleinere middenstand voort en zat dus steeds argwanend te loeren of deze maatschappelijke begunstiging geen opgeld deed bij zijn minister van Justitie, vooral, als die behoorde tot de elitaire Hervormde klasse met de dubbele namen zoals deze later samengroepte in de Christelijk Historische Unie. De katholieken waren bijna nooit naar sociale strata georganiseerd en hun Roomsch-Katholieke Federatie van Provinciale Kieskringen telde voornamelijk kleinere middenstanders die een zekere aanslag in de inkomstenbelasting konden opbrengen. Daarom kon Thorbecke het met deze katho’s doorgaans best vinden. Maar weer niet zo, dat hij daarom hun geestelijkheid exempties gunde. Daar was bijna ieder kabinet uiterst beducht voor. Dat kon alleen maar bij verdragsgrondslag. Waarvoor bij de bisschop van Gerra wellicht grond kon bestaan.
Maar dan moest de minister van Justitie die vaststellen en definiëren. Dat waren de spelregels. Dat geldt ook voor de hierna te noemen gevallen. Waarbij opmerkelijk is dat deze beslissingen bijna nooit zijn terug te vinden. Niet in de openbare archieven. Het gaat te dezen om de minister van Justitie N. Olivier. Vooraanstaand liberaal politicus, leerling en vriend van Thorbecke i. Voor 1848 een Leidse oppositionele advocaat en journalist en vanaf 1858 Tweede Kamerlid. Stond bekend als Thorbecke’s rechterhand ("Thorbecke's schildknaap"). De koning verhinderde in 1851 en 1852 zijn benoeming tot raadsheer in de Hoge Raad. Hij werd in 1862 wel minister van Justitie in het tweede kabinet-Thorbecke I. Kleine, gezette man, die bekendstond als een uitstekende jurist, die helder formuleerde.
Niet zozeer een nieuwlichter, maar zeer beducht voor de volstrekte scheiding van kerk en staat. En dus een tegenstander van bij wet aangeduide geestelijke immuniteitsposities. Wel iemand die internationaal dacht. En hij zag ook best in wat de waarde was van diplomatieke relaties met de Heilige Stoel of het Hof van Rome, zoals hij de pauselijke curie meestal aanduidt. Van hem was niet te verwachten dat hij vervolgingsuitsluitingsgronden zou accepteren buiten de formele strafvordering om. Maar wel op verdragsgrondslag. Die waren diplomatiek reҫue. En voor Nederland als middelgrote mogendheid bijzonder belangrijk, omdat het maar een beperkt aantal gezantschappen kon onderhouden.
Ik vond bij J.W.M. Peijnenburg, Johannes Zwijsen, bisschop, 1794-1977, uitgave Stichting Zuidelijk Historisch Contact, Tilburg 1996 de casus uit 1863 uitvoerig besproken met voor mij nieuwe bebronningen. Maar ook Peijnenburg volstaat met te constateren dat Zwijsens houding hem onverklaarbaar voorkomt en dat niet begrijpelijk is dat zelfs geen aangifte mocht worden gedaan en geen enkele medewerking mocht worden gegeven aan de geregtelijke instructie die tegen de knecht was aangevangen. Voorts dat ook onduidelijk is gebleven dat, áls het al ging om een vermogensdelict tegen de bisschop -- en daarvoor was geen schijn van bewijs -- wát dan de vermogenswaarden, zakelijk, geweest waren en waar de schade dan precies uit bestond en wie daardoor dan specifiek benadeeld werd. Daarover schrijft Peijnenburg uitvoerig, ook al omdat Zwijsen in dit opzicht zacht gesproken heel raar en inconsequent verklaarde. Wel verklaarbaar. Gelet op voorgaande ontwikkelingen.
Verder vond Zwijsen het nodig een zendbrief aan de geestelijkheid uit te geven waarin ze verboden werd aan iedere instructie, hoe ook genaamd, mee te werken. Vaststaat dat de internuntius Settimo Maria Vechiotti, in 1854 benoemd, de weigerachtigheid van Zwijsen om mee te werken aan de wereldlijke justitie te dezen afkeurde. De diplomaat vond dat Zwijsen de prille relaties met de Nederlandse staat te zwaar beproefde door deze opstelling reeds omdat hij geen rechtvaardigingsgrond kon opbrengen waarom hij geen gevolg zou mogen geven aan de oproepen om bij de rechter van instructie te verschijnen zoals iedere staatsburger en ingezetene van Nederland destijds verplicht was te doen.
Peijnenburg releveert dat alles wel, stelt vast dat er een onverenigbaarheid van karakters bestond tussen bisschop en nuntius en laat het daarbij. Het doet mij aan de talloze pogingen tot vervolgingen tegen de departementale topambtenaar van Justitie Joris Demmink denken, verdacht van ontucht met minderjarigen in de tachtiger en negentiger jaren van vorige eeuw, óók omdat Zwijsen aantoonbaar bewijs had verdonkeremaand.
De zaak-Zwijsen is bekend in bredere kring, mét deze onbegrijpelijkheden die destijds bij de liberalen wel degelijk tot wenkbrauwgefrons leidden. Ik verwacht daarover ambtsberichten te vinden bij Buitenlandse Zaken stammend uit de periode Meeussen waaraan ik reeds refereerde. Er is welhaast niemand die verwacht op dit moment, dat het ook bij andere merkwaardige gevallen, waaronder die inzake Marietje Kessels, waarover BHIC een podcast onderhoudt, ging om de vraag of een als dader dan wel deelnemer verdachte geestelijke recht had op concordataire immuniteit ingevolge artikel 8 van het Wetboek van Strafrecht, dat de heerschappij van het nationale strafrecht onderwerpt aan uitzonderingen in het volkerenregt erkend.
Evenwel, de immuniteit van geestelijken gold in de negentiende eeuw wel als zulk een uitzondering, wanneer ze in een concordaat steun vond. Bij Zwijsen en buitengewone prelaten was dat pleitbaar. Deze kwesties zijn ook aan de orde geweest bij de Commissie Deetman waaraan ik mijn expertise moest geven. Deze al genoemde Commissie moest de duizenden gevallen van aparte ontucht inventariseren waaraan katholieke geestelijken zich sedert 1850 hadden schuldig gemaakt jegens aan hun zorg toevertrouwde minderjarigen. Koorknapen, misdienaars, acolythen, in internaat verblijvende minderjarigen en wegens geestelijke afwijking opgenomen verpleegden in zorginstellingen. Een onthutsende en eindeloze reeks. Die, dat moest worden vastgesteld, bekend was bij het Nederlandse episcopaat en zijn voorzitters, de kardinalen De Jong, Alfrink en Simonis. De laatste verklaarde onder ede niets van die ontucht geweten te hebben en herhaalde dat voor de publieke omroep met zijn Wir haben es nicht gewusst. Beroerder kón niet. BHIC staat vol met de verontwaardiging van haar bezoekers dienaangaande, vaak slachtoffers van die ontucht. Maar dat deze ontkenning meineed opleverde ex artikel 206 van het Wetboek van Strafrecht was niet twijfelachtig. Vervolgd werd er niet. Het wekte beroering. Omdat ook Simonis destijds zich op degelijke excepties beriep. Ik vond destijds dat Simonis beslist vervolgd had moeten worden en de bisschoppen Gijsen en Bomers evenzeer. Bij hen was de smoking gun vrijwel direct op de werkvloer te vinden.


