Welke geheim verbergt huize Gerra? Wat heeft dat te maken met de moordaanslag op mgr. Zwijsen? Of uiteindelijk zelfs… met de zaak Marietje Kessels? Onderzoeker Gerard Strijards kenschetst, via onder andere Abe Lenstra, Napoleon en Koning Willem I, vanuit een persoonlijke invalshoek dit bijzondere relaas. In deel 8 - De canonieke immuniteitsposities"

De ruchtbaarheden omtrent de geheimzinnigheden te Huize Gerra liepen flink op, mede omdat de macht van de katholieke kerk sedert 1868 steeds maar bleek toe te nemen en deze katholieken zich steeds hechter politiek wist te organiseren. In 1868 hadden de gezamenlijke bisschoppen voor het eerst een mandement weten uit te brengen, gewijd aan de noodzaak te voorzien in apart katholieke onderwijs vooral via lagere scholen. Mét de eis dat deze zorg, die ten dele dan toch maar van de staat werd afgenomen door particulieren uit het katholieke volksdeel wel degelijk ook van rijkswege gesubsidieerd zou worden voor zover het ging om stoffelijke voorzieningen ten behoeve van de schoolgaande leerlingen in die inrichtingen: ruime en hoge lokaliteiten met voldoende zonlicht, ventilatie en verwarming, modernere leermiddelen ten behoeve van de van rijkswege opgelegde kundigheden die onderricht zouden moeten worden – aardrijkskunde, rekenkunde, spellingsleer, grammatica, biologie enz. – bereikbaarheid, uit te reiken hulpmiddelen en lesmaterialen zoals kaarten, leesboeken, linealen, pennen en inkt en personele middelen. Het episcopaat eiste echter nog geen volstrekte gelijkstelling wat de financiële ondersteuning betreft met het van rijkswege te verschaffen openbaar onderwijs.
De bisschoppen lieten uitkomen dat zij voorts wilden dat de Hervormde kerk, eermaals de heersende kerk, voor wat betreft de te onderrichten christelijke deugden geen geldelijke preferentie zou krijgen bij het onderricht, ook al was die Kerk voorzien van een bij de kroon vastgesteld reglement en al kon de koning gelden als de opperbestuurder. Want die bevoorrechting was er nog steeds en zou tot diep in de twintigste eeuw voortduren. Organisatorisch eiste deze kerk vrijheid van organisatie en het recht om deze te doen blijken in het publieke domein door optochten, demonstraties, conferenties en religieuze samenkomsten waarop de bedienaren der eredienst zich ook uiterlijk als zodanig mochten manifesteren. Zoals bij de internationale katholiekendagen, sacramentele internationale congressen en bedevaarten naar buitenlandse oorden. Eventueel vergezeld van de bijbehorende geestelijke beambten.
Meteen kwam weer om de hoek kijken wat dan gedaan zou moeten worden met een afgezonden pauselijk delegaat naar een eucharistisch congres te Utrecht of Amsterdam. Wat was zijn volkerenrechtelijke status en op grondslag waarvan? Hoe internationaler de kerk van Rome zich organiseerde hoe prangender die kwestie werd. Ik herinner even aan het optreden van kardinaal delegaat van Rossum, de redemptorist, ter gelegenheid van het Eucharistisch Congres te Amsterdam, die deze stad binnenreed in een karos getrokken door zes schimmels. Een voorrecht alleen toekomend aan erkende wereldlijke vorsten. En aan het vergadercircuit bij het Eerste Haagse Vredescongres, waarbij de Heilige Stoel als puissance, mogendheid, vertegenwoordigd zou moeten worden. Wat, indien dan in de bagages van de monsignori zaken zouden worden aangetroffen, die zelfstandig middelen zouden kunnen zijn voor het voltooien van misdrijven.
Dan moet men niet onmiddellijk denken aan pornografie al was die in het preutse Nederland ruim ter verspreiding goedkoop voorhanden. En evenmin aan cocaïne, want zo beschaafd waren de elites destijds nog niet. Nederland was ook toen al middelpunt van diplomatiek verkeer en zelfs steeds sterker internationaal missieland met grote vaardigheid verstrikt te raken in jurisdictieconflicten. Wat dan gedaan met de immuniteiten die destijds reeds in het dwingend volkerenrecht naar gewoonten al erkend waren. Ook binnen handelsmissies. Mede daarom was het voorshands niet geraden af te zien van iedere uitwerking van de exempties die voorondersteld werden in het concordaat van 1827. Want het was opmerkelijk hoeveel handel Nederland dreef, als middelgrote koloniale mogendheid, met katholieke staten en regio’s. Moest dat dus toch niet bij formele wet geregeld worden? En ook de opheffing van deze immuniteiten? En kon dat dan met terugwerkende kracht? Men onderschatte niet de rechtsmacht uit deze dagen van de Heilige Stoel, die bijvoorbeeld in België verregaand erkend werd. Maar ook in Beieren en Portugal. Hoever was Nederland bereid daarbij rekening te houden met de missionarissen van Scheut die menig monsignori afzonden en ontvingen, bijvoorbeeld in de Nederlandse vestiging te Sparrendaal bij Den Bosch en die ook doende waren binnen de Nederlandse handelsfactorijen in Centraal Afrika? En dan heb ik het niet eens over de Kapucijnen uit Liempde die menige florerende posten onderhielden op Sumatra waar de Nederlandse commercie ook wel bij voer. Tot diep in de twintigste eeuw. Ik noem Apostolisch Vicaris Trudo Brans uit Strijp. Die zelfs met de Japanners wist te onderhandelen. In de bezettingstijd 1942-1945.
De strafrechtelijke voorzieningen ex artikel 8 vh Algemeen Deel van het Wetboek
De steeds voortschrijdende mondiale katholisering kon zelfs als feit niet miskend worden en evenmin haar betekenis voor expanderend Nederland. Het had weinig zin om te dezen terug te vallen op een absoluut seculariteitsprincipe. Dat was tenminste de opvatting van de Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt 1870/1876. Deze was van oordeel dat er nu eindelijk een echt nationaal wetboek moest komen. Want de Code Napoléon had nu zoveel wijzigingen moeten ondergaan dat het onhanteerbaar was geworden bij snelle raadplegingen ter terechtzittingen terwijl het uitging van achterhaalde revolutionaire principes. In dat wetboek moest ook de regeling van de volkerenrechtelijke exempties worden opgenomen.
Aldus die commissie, wier notulen in handschrift zijn uitgegeven door de vakgroep strafrechtwetenschappen en criminologie van de Katholieke Hogeschool Tilburg in 1976. Met register, bijlagen van vraagpunten en twee lezingen van het ontwerp. Een ware Sisyphus-arbeid. Daar, in dat commissoriaal verband, kwam deze kwestie van de canonieke exempties met hun gevolgen voor de nationale heerschappij van de strafwet uiteraard aan de orde. Al had de regering er alles aan gedaan om deze kwestie onaangeroerd te laten, want de geheimnissen van Gerra en vergelijkbare lagen nog kakelvers in de herinnering. !870, moet u rekenen. De Staatscommissie besloot dat het volkerenrechtelijk gewoonterecht te dezen leidraad moest zijn.
Dat hield dan mede in dat de te gunnen exempties – uitzonderingen op de territoriaal gedefinieerde heerschappij van de strafwet – niet noodzakelijkerwijze in een verdragsvorm gegarandeerd behoefden te zijn en voorts ook niet noodzakelijkerwijze vervat behoorden te worden in uitvoeringsregelingen. Dat was dus bij uitstek toepasselijk op de voorzieningen ingevolge het concordaat van 1827. `Het strikte legaliteitsbeginsel is hier, stelt de Staatscommissie vast, niet toepasselijk tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is overeengekomen bij uitwisselingen van brieven van verstandhouding, de memoranda of understanding. Aldus het uitgangspunt van de Commissie in Bijlage VII Vraagpunt XII, sub a. en 3e gedachtenpunt. Grenzen van het gebied der Nederlandsche Strafwet (Raümliche Anwendbarkeit).
In dit opzicht wil de Commissie aansluiten bij het systeem van het Strafwetboek der Noordduitsche Bond dat recentelijk ingevoerd is bij de Oosterburen. Dat wil die Bond vooral met het oog op Beieren dat rechtstreekse diplomatieke betrekkingen onderhoudt met Het Vaticaan. Beieren heeft dus onbepaalde exempties die Pruisen zeker niet erkennen wil. Want Beieren aanvaardt bij vele onderwerpen die in Pruisen staatstaak zijn de supervisie en inmenging van de Heilige Stoel. Deze bevoegdheden kunnen wettelijk worden vastgelegd maar ook concordatair. De Commissie werkt dat uitvoerig uit. Zie de notulen zelf, Deel I, p. 102, Deel II pp. 6, 7, 8, 9, 140 en Bijlage 48, 58, 72 en 73c, notulen III, pp. 20, 21, 329, 348 bijlage 103a sub art. 3, Bijlage 114, steeds der geciteerde Tilburgse editie waarin voorbeelden worden gegeven.
We lezen dan ook in het 8e artikel van het Algemeen Deel van het Strafwetboek in de redactie van 1881: “De toepasselijkheid der artikelen 2-7 wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. De toelichting luidt: “In eene volledige regeling van de heerschappij der Nederlandsche strafwet mag eene wettelijke erkenning van het volkenregtelijk beginsel van exterritorialiteit niet ontbreken. Gewoonte geeft geen regt dan alleen wanneer de wet daarop verwijst. Deze regel geldt ook voor volkenregtelijke gewoonten, hoe oud en algemeen erkend dan ook. Beperking van de algemeene voorschriften over het plaatselijk gebied der Nederlandsche strafwet en de personen aan hare heerschappij onderworpen door de uitzonderingen in het volkenregt erkend, kan den regter alleen vrijstaan uit kracht van eene uitdrukkelijke wetsbepaling.” Daaraan voegt T.J. Noyon, in zijn eerste deel van zijn gezaghebbend commentaar op het Wetboek van Strafrecht van 1881, toe: “Men meende zich tot eene algemeene verwijzing naar het volkenrecht te moeten bepalen, omdat specificatie den rechter ook in verband met de eigenaardige ontwikkeling van het volkenrecht te veel zou binden.” (Ter aangehaalder plaatse, p. 67). Dit is nog steeds het stelsel van ons Nederlandse strafrecht. Het bleef niet zonder kritiek. Want hier werd het nationale recht in blanco opengebroken ten behoeve van Rome.
