In Brabant genoot Paus Pius IX – Pio Nono Mastaï-Ferretti – een geldige populariteit. Hij was een volksheld, een religieuze influencer en daardoor staatkundig van betekenis, omdat de grote mogendheden hadden toegestaan dat Pius zijn kerkelijke staat was kwijt geraakt.
De staatkundige val van Pio Nono
In 1870 had Pius na diverse succesvolle slagen toch het onderspit moeten delven. Hij had wenend de witte vlag doen hijsen op de koepel van de Sint Pieter en zijn dappere zouaven gelast hun wapens te strekken. Onder deze zouaven menig Brabants jongeling, bereid om ziel en zaligheid veil te hebben voor de Vorst der Christenheid, na opwekking door de geestelijkheid vanaf de kansel. De Brabo’s hadden veel zouaven geleverd, maar dat had eigenlijk gans Nederland óók. Bijna een divisie van drieduizend man en met modern wapentuig.

Beter dan dat van het Nederlandse Veldleger, had Koning Willem III schuimbekkend moeten vaststellen. Ze kwam nu na demobilisatie terug en haar mare breidde zich over protestants Nederland uit. Kijk hier eens, waartoe het katholieke volksdeel bij machte was. Een deel dat volle vrijheid van godsdienst nipt uitoefende sedert 1853. Dat zagen de Nederlanders de liberalen van Thorbecke niet nadoen. Thor evenmin. Pius had goede spindoctors die hem inprenten dat hij nu in slachtofferrol moest kruipen. Hij was alle grondgebied kwijt. Hij zou moeten gaan acteren als “gevangene van Het Vaticaan” die door de wereldgemeenschap deerlijk in de steek was gelaten. Maar wat zou het, want hij bleef toch Koning. Van het Heelal, de Schepping, het Heilsplan.
Christus als Koning der wereldorde
Zijn werkgever Christus was het immers ook en had deze niet tegen Pontius Pilatus getuigd dat hij waarlijk Koning was, alleen niet van deze stoffelijke wereld? Daarom zou Pius de Christus-Koning verering moeten inleiden, ter compensatie van zijn verlies aan wereldlijke jurisdictie. Christus zou moeten worden voorgesteld als de Albeheerder van de verdrukte scharen – via de Heilig Hart-aanbidding – en als de Koning wiens Rijk nog ontplooien zou. Tot schrik der hoogzittenden van die eeuw. Het sloeg in als een bom, ook in Brabant, juist omdat men in het koningschap van Pius letterlijk levens had geïnvesteerd. Overal verrezen na 1870 Heilig Hart-kerken en Christus Koning-basilieken. Groot, hoog, imponerend en dus mooi. Deze relicten staan nog steeds overal waar rooms troef was, vooral in de Meierij en het Kempenland, om te laten zien dat Rome wel verslagen was, maar de roomsen niet. Die gingen zich nu van de weeromstuit politiek organiseren. Nederland zou het weten.
In Nederland werd deze religieuze veneratie eveneens een bindmiddel van de zich steeds duidelijker emanciperende katholieken. Juist omdat de val van Pius IX door protestanten, liberalen en socialisten innig was begroet als vooruitgang, besloten de Brabo’s deze val reclametechnisch in het tegendeel te doen verkeren. Dat kon ook prima, omdat Pius eigenlijk ook wel een soort prima donna was die graag de martelaar uithing. Een soort Gordon, die alles aangrijpt om zijn onbegrepenheden te ventileren en daardoor een Calimero-effect scoort. In alle gevallen leek deze verering juist daar om zich te grijpen, waar de positie van de Rooms-Katholieke Kerk, of in elk geval de rooms-katholieken, in het gedrang kwam. Dat was dáár het geval, waar de tweede macrostructurele industrialisering toesloeg in de tweede helft van de negentiende eeuw.
De roomse zaak onder Christus Koning
In Den Bosch dus, met zijn typische Rijnlandse grootgrutterijen die daar middenin de stad nestelden vanwege de massatransportmogelijkheden over de Zuid-Willemsvaart. Maar ook in Eindhoven met zijn uitdijende sigarenfabrieken, emballage-toeleveranciers, leerbewerkingsinstallaties en uiteindelijk de lampenvervaardiging. Het trof dat daarbij de directies nooit rooms waren en zich niet ontzagen om openlijk de roomsen neer te zetten als onbenullen. In Tilburg ging het om textielmagnaten. Deze lieten de roomsen goed voelen dat ze staatkundig niet telden. In de tweede helft van de 19e eeuw schoten parochiële broederschappen uit de grond, zoals de "Erewacht van het Goddelijk Hart van Jezus", waarbij de leden als lijfwachten van Jezus werden begrepen.
Daartoe behoorde ook het gebedsapostolaat, waarin men "staat voor de zaak van Christus”. Interessant, dat hier de “zaak” werd genoemd en niet het theologisch leerstellig geloof, want onder die “zaak” kon alles wel begrepen worden. Dat bleek ook: het ging vooral om middenstandskredieten, geborgd door de staat der Nederlanden. De Hanzenbankenketens die in de twintiger jaren door wanbeheer failleerden, onder het patronaat van Christus Koning. Colijn moest bijspringen, al deed hij dat tandenknarsend, omdat deze Koning niet deed aan risicospreiding.

