Aan het eind van de 19e en begin van de 20e eeuw kreeg de Heilig Hartverering nieuwe impulsen, onder invloed van het Eerste Vaticaans Concilie. Het werd een van de kernsymbolen in de katholieke sociale doctrine in de strijd tegen het opkomende strijdbare socialisme.
De klassenstrijd niet in de boezem van het Heilig Hart
De opkomende industrialisering zorgde voor een proletarisering van de voorheen vrijwel automatisch katholieke plattelandsbevolking. De democratie met algemeen kiesrecht deed haar intrede. De overheid en samenleving waren op het eerste oog seculier geworden.
Maar niet heus. Want de Koning bleef God aanroepen in ieder wetgevingsformulier – “Wij, Wilhelmina, Koningin bij de Gratie Gods” – de ambtelijke zuiveringseedsformule repte van een God Almachtig en bij openbare manifestaties riepen ministers God Voorzienigheid in. Die bleek steeds te herleiden tot die van de Heidelbergse catechismus en niet tot die van het Heilig Hart. Zo verhardden de harten der roomsen zich. Als het dan die kan opging, zouden ze Christus als Koning in het snelverkeer doen prijken, opdat hij de zielen zou temperen en de goddeloze klassenstrijd temperen.
Had Christus immers niet gezegd dat wie het Zwaard trok, ook door het Zwaard zou vergaan? Al had Christus ook gezegd dat hij was gekomen om verdeeldheid te zaaien, zelfs tussen de ouders en hun nakomelingschap. Daarom, zo besloot het hoogwaardig episcopaat, moest er een instructie komen over hoe deze Christus Koning eruit zou komen te zien, met een bijbehorend kerkelijk inspectieapparaat. Duidelijk moest zijn dat het ging om de Christus-en-die-gekruisigd, dus op blote voeten, met doornenkroon en met verheven blik en niet om een tiran zoals Koning Zog van Albanië. Laten we wel wezen.
Een Heilig Hart-industrie
De bisschoppen zorgden voor een uniforme beeldenreeks, opdat duidelijk was waar men nu eigenlijk achteraan zou lopen in de Heilig Hart-processies. Want deze sport zou moeten worden beoefend in georganiseerd verband met een geestelijk leidsman. Nu hadden de roomsen te maken met nogal burgerlijke, wat benepen gemijterden, die doodsbenauwd waren met Rome, het Vaticaan dus, uit de pas te lopen. Vooral afbeeldingen van heiligen, kruiswegstaties, golgothabergen, wonderen in het algemeen, genezingbrengende waterputten bestanden per diocese aanwijzingen vanwege de bisschop. Daarbij werd geen detail gespaard, want inmiddels had zich in deze sector een ware massa-industrie opgedaan, waarbij ook winst werd geboekt, zoals een roomse zaak betaamde. Bisschop Hopmans had zelfs bestellingen gedaan van tientallen gietijzeren weg-crucifixen in één aankoop, want dat was goedkoper wegens korting bij grotere afname telle quelle. Men kan vroom zijn op een koopje. Een Nederlandse overweging die moraaltheologisch standhoudt. God kan er niets tegen doen. De industriële producent zit snor.

Strijdbare vakbonden werden opgericht, vrijheid van onderwijs en sociale kwesties werden belangrijke strategische doelen. Naast de ontwikkeling van de katholieke sociale leer (de encyclieken Rerum Novarum in 1891 en Quadragesimo Anno in 1931) trad een nieuwe generatie zielzorgers (in Nederland Alfons Ariëns en Henri Poels, in Duitsland Oswald von Nell-Breuning en in Frankrijk Leo Dehon en Paul Antoine Naudet) naar buiten. Voor hen zou de Heilig Hartverering persoonlijke vroomheid met sociale actie in het teken van naastenliefde moeten stimuleren.
Zo werden bijvoorbeeld in deze periode in de Nederlandse provincie Limburg meer dan honderd Heilig Hartbeelden op pleinen en straten in woonwijken geplaatst en tientallen parochiebroederschappen gesticht met het doel de Heilig Hartverering te verdiepen. Tot de makers van Heilig Hartbeelden behoren bekende beeldhouwers als Toon Dupuis en August Falise. De meest competente vervaardiger van al de gangbare Heilig Hart-kitsch die zelfs de toets van Rome kon doorstaan was voorwaar Aloïs De Beule (1861-1935) die Heilige Harten afscheidde als Peijnenburgs koekfabriek zijn typische pepermikken. Men moet zijn tijd verstaan. Dat kon deze kunstenaar. In dit artikel twee van zijn typische conterfeitsels, in diverse uitvoeringen nabestelbaar.

Plichtmatige uniformiteit doet wonderen
Het was het beste uniformiteit na te streven; dat was wel zo efficiënt en vereiste later geen gerechtelijke plaatsopneming bij klachten van wanprestatie. Daarom was het episcopaat voorstander van productie van een beeldengroep, samen te stellen uit aan elkaar te verbinden mallen. Daarbij waren in ootmoed weggezonken ouders, hunkerend opkijkend naar de zegenrijke Koning, preferabel. Deze Koning moest niet strijdbaar kijken – dat herinnerde te zeer aan de klassenstrijd die men juist wilde tegengaan – maar vol erbarmen, de handpalmen naar beneden uitgestrekt. De groep kon dan nog variëren, naarmate de bestellers de man links of rechts van de Alverlosser wensten. Daarbij waren inschroefbare heiligen, ter plaatse populair in de volksdevotie, beschikbaar voor op de hoeken van het tombeau, leverbaar in zandsteen, Dunrader mergelsteen, marmer of graniet. Randschriften met opwekkende openbaringsteksten, wijdingen, opdrachten of aansporingen naleverbaar onder rembours.
De teksten moesten wel eerst gekeurd worden door de diocesane curie. Die nam geen risico. Bij twijfel niet inhalen. Er waren immers pastoors die enigszins eigenzinnig uit de hoek konden komen en die niet onder stoelen of banken staken dat ze aan bepaalde werkgevers flink de pest hadden. Vooral als het ging om magnaten die menige processie belemmerden die de parochieherder dierbaar was, juist op diens patroondag. Dan gaf de industriële potentaat op dat juist op Petrus-en-Paulusdag de grote stoommachine twee dagen onder druk zou blijven opdat de toegezegde leveranties veiliggesteld werden, zodat de arbeiders die dag stellig niet het baldakijn zouden kunnen torsen. Dat leek dan, via een omweg, toch weer op een klassenstrijd. Maar dan niet zoals Marx die voorzien had.

