De bewoners en hun beroep in de kern van het dorp rond 1930. Deel 1 van een tweeluik.
Ons gezin woonde vanaf 1924 midden in het dorp en wij, als kinderen, leerden langzaam de omgeving kennen. Ons leefgebied lag tussen de kruising van de Grotestraat met de weg naar Mill en naar Linden en in de richting van Cuijk met de kruising Hapse weg en de zandweg langs de molen van Piet Wagemans naar de Dommelsvoort. Aan laatstgenoemde weg lag ons oude huis, Dommelsvoort 8. Het huis werd later bewoond door de familie Hermanussen (Hulsbusch).

Het is misschien wel leuk om de route eens langs te lopen en te zien wie er destijds woonden en werkten. Komende vanaf Gassel richting Cuijk aan de zuidzijde van de straat, vóór de kruising met de weg naar Mill, was de winkel met bakkerij van Leo van Daal. Daar kochten we elke zondag voor één cent een dikke chocolade toffee met een zilveren papiertje er omheen. Verder voorbij de kruising lag de boerderij, annex café van Arnold Claassen. Hier dronken de welgestelde boeren op zondag na de hoogmis van 10.00 uur een borreltje en praatten bij over de gebeurtenissen van de afgelopen week. Dan volgde het gemeentehuis, dat door mijn vader rond 1915 werd gebouwd. Als kind, vonden we het meest schrikwekkende de gevangenis, met dikke tralies voor het raam, die onderin het gemeentehuis was aangebracht. We gingen dikwijls kijken als de veldwachter, Janus Terburg, weer een boef had opgesloten.

Voorbij het gemeentehuis lag de statige boerderij van de Piet Hurkens met mooie grote paardenkastanjebomen aan de westzijde van het bedrijf. Hier werd dokter Hurkens geboren, die later de praktijk van dokter Van den Broek uit Cuijk zou overnemen.

Daarna volgde het monumentale Heilige Hartbeeld dat, staande op een basement, hoog boven de omgeving uitstraalde. Het geheel was omheind met een sierlijk hekwerk. Hier vond jaarlijks de Heilige Hartprocessie plaats. In de jaren ‘30 is door mijn vader, achter het beeld, een nieuwe meisjesschool gebouwd, de zogenaamde Arnoldusschool, genoemd naar de vroegere pastoor van de parochie, Arnoldus Bertens.
Het daarop volgende gebouwencomplex was het klooster van de Zusters van Liefde uit Schijndel. Het complex bestond uit het klooster zelf als hoofdgebouw met rechts de kapel en links de meisjesschool met twee lokalen. Dan volgde de speelplaats waaraan in een afzonderlijk gebouw het patronaat was ondergebracht. Dit patronaat werd ook gedeeltelijk gebruikt als bewaarschool en gedeeltelijk als naaischool. Het geheel was omrasterd met pilaren waartussen een zestig centimeter hoog muurtje met daarop een ijzeren hekwerk van spijlen.

Verder hoorde ook het gasthuis, dat door de zusters werd verzorgd, bij het complex. Er was een afzonderlijk verblijf voor mannen en een afzonderlijk verblijf voor vrouwen. Het geheel was met het klooster verbonden door een, aan de achterzijde gelegen, zogenaamde ‘glazeren gang’, die de toegankelijkheid van het totale complex vergemakkelijkte. Daarbij hoorde verder nog een grote tuin tot aan de zandweg naar het Broek.

Op de hoek van de dorpsstraat en de genoemde zandweg was het café annex winkel en bakkerij van Wilhelmus Wagemans. Aan de westkant van het gebouw stonden een drietal eeuwenoude lindebomen. Het bijzondere van dit pand was dat het beschikte over een carbietgasinstallatie voor de verlichting van de verschillende vertrekken. Vervolgens komen we bij de woning met slagerij van Lambertus (Cor) van Riet. Later vestigde zich hier Henricus Smits, die er een smederij met constructiewerkplaats bouwde. De slagerswinkel bleef daarbij gehandhaafd. Even verder liep een zanderig pad naar de Hapse weg. Dat pad liep door tot de Leuvert. Vóór dit pad lag aan de Grotestraat de boerderij van Petrus Vergeest. Op het voorterrein stond jaarlijks tijdens de kermis de draaimolen van Pietje Bummel uit Uden. Vervolgens komen we aan het woonhuis van Gerarda Kersten. Zij was een alleenstaande vrouw en verdiende haar inkomen met het maken van Brabantse poffers. Daarin was ze zeer bedreven en ze had dan ook vele klanten.
Voorbij de zijtuin volgde de woning van Petrus Pijnappels. Daar ging ik dikwijls op bezoek, omdat ik met hun kinderen heel bevriend was. De negen kinderen waren allemaal op kostschool. Eén van hen werd frater-onderwijzer in Friesland. Hij is daar tijdens het schaatsen op een van de meren verdronken. De vader van Peter Pijnappels was postbode en had als nevenfunctie een taxibedrijf (opent in een nieuw tabblad). Hij beschikte over één personenauto van het merk Ford. Als hij een rit had moest hij een paar uur tevoren beginnen met de voorbereidingen om de auto op gang te krijgen. Eerst moest hij water koken om de radiator te vullen en de auto op temperatuur te brengen. Daarna moest de motor aangezwengeld worden. Er waren nogal wat pogingen nodig om die op gang te krijgen. Hij moest dan opletten dat de zwengel niet terug sloeg, want dan kon hij de eerste uren geen stuur meer vasthouden. Als we over een weg reden met bomen erlangs zei hij: “Moet je eens kijken hoe hard we rijden. Je kunt de bomen bijna niet meer tellen.”
Naast Pijnappels woonde Cornelis van den Heuvel. In zijn huis was een kleermakerij annex kapperszaak. De meeste mensen lieten zich maar één keer per week op zaterdag scheren; dan was het er erg druk en moest je lang wachten. Om de tijd te doden werd aan diverse tafeltjes gekaart. De meesten bleven tot ’s avonds laat doorkaarten; het ging er dan spannend aan toe!
Dan volgde het huis van Theodorus Keizers, die daar samen woonde met zijn moeder. Ze runden een boerderijtje en hielden kippen. Het huis had nog een tweede hoofdingang, waar de gezusters Hendrina en Wilhelmina Kersten woonden. Ze verdienden de kost met het schoonmaken van werkhuizen en van de kerk. Later zouden ze een nieuw huis bouwen in de Molenstraat aan de weg naar Cuijk.

© BHIC. Bron: BHIC, fotonummer 1572-08-032)
Vervolgens stond, vóór de afslag Hapse weg, het huis van Johannes Nuijen, waarin een café annex klompenmakerij was gevestigd. Hier was het stamhuis van de Gildebroeders, waar jaarlijks diverse bijeenkomsten werden gehouden. Op de klompenmakerij kon je klompen laten aanmeten. Daarvoor gebruikte men een stokje, hield dat onder de voet en knipte het vervolgens af. Bij het maken van de klomp, legde men het stokje in de uitholling om te zien of de maat passend was. Als de klompen voldoende gedroogd waren, kon je ze ophalen of werden ze afgeleverd.
Na het huis van Nuijen stond aan de zuidzijde van de provinciale weg geen enkel huis meer tot bijna bij de molen van Van Riet, aan de grens van de gemeente Cuijk. Even daarvoor woonde Gerardus Arntz; hij was kantonnier bij de provincie. Tegenover Arntz lag de woning met smederij van Henricus Smits, die, zoals eerder vermeld, later in het dorp is gaan wonen en daar een nieuwe smederij bouwde.
Uit: H.S. Ebben, De eerste vijfentwintig jaar van mijn leven in Beers aan de Maas (2010)
