De bewoners en hun beroep in de kern van het dorp rond 1930. Slot van een tweeluik.
Nu gaan we weer even terug naar de kruising Grotestraat-Hapseweg en de weg richting Dommelsvoort. Aan deze weg lag de toegang naar de molen van Petrus Wagemans. De woning, waarin een café, lag aan de Grotestraat. In het café was het clubhuis van voetbalvereniging ‘Vios’. De molen was een statige stellingmolen en stak hoog boven de omliggende gebouwen uit. Samen met de kerk was hij beeldbepalend voor het dorp. Het is dan ook doodjammer dat hij medio de jaren dertig is afgebrand en geheel verloren is gegaan. Begin twintiger jaren is timmerman Piet van de Lockant bij onderhoudswerkzaamheden aan de kap gevallen en op de gaanderij terecht gekomen. Gezien de grote hoogte , is het een wonder dat hij het er toen levend vanaf heeft gebracht.
![Molen 'Nooitgedacht' van P. Wagemans. Gebouwd in 1900. Afgebrand op 8 mei 1936. Het pakhuis was eveneens afgebrand. Het woonhuis, de voorraadschuur en de machinekamer met dieselmotor bleven gespaard (foto [reproductie]: Helmuth Hagemann, © Berry Poelen. Bron: BHIC, fotonummer BEE0007)](https://cdn.sanity.io/images/6skzgpjd/beta/76b93e60a8f61e3233fbb7779183365d9eada952-1493x1080.jpg?w=1200&auto=format)
We gaan van hieruit aan de noordzijde van de Grotestraat weer terug richting dorp. We komen dan langs het statige huis met boerderij van Johannes Thijssen. Daarbij hoorden ook enkele boomgaarden. De ene boomgaard grensde aan de tuin bij het huis van Jan Ebben en de andere boomgaard lag tegen de buitenvijver met aanliggend bosje behorend bij de pastorie. In de boomgaard woonde ieder jaar een wielwaal, een prachtige goudgele zangvogel.
Vervolgens komen we aan de villa van burgemeester Gerardus van Lith; deze werd gebouwd op een stuk grond, dat veel lager lag dan het straatpeil. Men heeft dan ook het terrein op moeten hogen, zodat een kunstmatige terp ontstond. Men bouwde het huis zelfs aanzienlijk hoger dan de weg, wat het statige van het huis aanmerkelijk ten goede kwam. Het huis is door mijn vader in 1919 gebouwd. Burgemeester van Lith was één van de weinige inwoners van Beers, die over een auto (opent in een nieuw tabblad) beschikte. Zelf achter het stuur plaatsnemen, deed hij nooit. Dat liet hij over aan zijn dochter Janette.

Tussen het huis van Van Lith en het volgende huis van Jan Ebben lag een weiland met een boomgaard, eigendom van de familie Essers. Veel later zijn hierop twee vrijstaande huizen gebouwd.

c. 1900. (Bron: BHIC, fotonummer DCBEE-000024)
Tegen de woning van mijn vader, Jan Ebben, was een timmerwerkplaats met machinekamer gebouwd en daarachter was een overkapping voor de opslag van het benodigde bouwmaterieel. Mijn vader was bouwkundige van beroep. Aanvankelijk ontwierp en bouwde hij als aannemer diverse huizen en andere gebouwen. Eind twintiger jaren richtte hij zich uitsluitend op het ontwerpen van de bouwwerken, vooral woningen en boerderijen. Zijn kenmerkende stijl is in Beers en verre omgeving terug te vinden.
Zijn eigen huis in de Grotestraat bouwde hij in de twintiger jaren op een stuk grond, waarop een oud huis stond dat voor het laatst werd bewoond door Jacobus Beelen. In het najaar van 1924 verhuisde mijn vader vanuit het huis van zijn broer aan de Molenstraat naar zijn nieuwe woning.
De volgende woning, annex boerderij, werd bewoond door Antonius Essers en zijn gezin. Essers was ook koster en organist en tevens hulpbesteller bij de posterijen. Het gezin bestond uit tien kinderen: acht jongens en twee meisjes. Drie van de jongens zijn pater Kapucijn geworden, drie werden frater-onderwijzer en een meisje deed haar intrede in een zusterklooster. Naast dit grote gezin woonde, in het volgende huis, moeder en dochter Essers. Zij verdienden de kost vooral met naaiwerk.
Dan volgde de pastorie. Indertijd werd die uiteraard bewoond door de pastoor en de kapelaan. Er waren ook twee inwonende, oudere dames, die voor het huishouden zorgden. In die tijd werden ze pastoorsmeiden genoemd. Achter de pastorie lag een grote tuin met binnenvijver. Het geheel werd afgeschermd door een hoge taxushaag. Ieder jaar moesten de boeren een kar mest leveren om de tuin vruchtbaar te houden. Ook werd jaarlijks door de koster een rondgang gehouden voor de levering van eieren. De boerinnen brachten boter naar de pastorie of men betaalde in plaats daarvan botergeld. Als de boeren een varken slachtten, werd een flink stuk vlees apart gehouden voor de pastoor.

Tussen de pastorie en de kerk stond de woning van het hoofd van de school, meester Janssen senior. De woning was gebouwd aan de drieklassige jongensschool. Voor zo ver mij bekend, deed de woning tot ongeveer 1915 voor een deel ook dienst als gemeentehuis. Boven in de topgevel van het huis staat dan ook de patroonheilige van de gemeente en de parochie, de heilige Lambertus.

De familie Janssen was een echte onderwijzersfamilie. Op een bepaald moment en tot 1931 gaven drie leden van het gezin onderwijs aan de aangrenzende school. De vader gaf les aan de vijfde, zesde en zevende klas. Zijn zoon Hermanus had de derde en vierde klas en de dochter Theodora was de eerste en tweede klas toevertrouwd. De oudste zoon, Thij Janssen was hoofd van de school op de Horst in Groesbeek en zijn broer stond onder andere aan een school te Drunen.

's-Hertogenbosch, BHIC fotonummer 1938-022-00013)
Tenslotte komen we aan bij de kerk en het rondom gelegen kerkhof. Over de kerk zelf hoef ik hier niet te schrijven, omdat hierover al veel is gepubliceerd.
De situatie bij de hoofdingang van de kerk is in de loop van de tijd drastisch veranderd. De omlegging van de provinciale weg en de verruiming van het kruispunt hebben daar sterk aan bijgedragen. Ook door de sloop van de boerderij van Martens is het nodige veranderd. Oorspronkelijk lag tussen de stoep van de kerk en de tuinmuur bij de boerderij een ruimte ter breedte van ongeveer zes meter. Vóór de boerderij stonden een viertal leilinden. Op de straat stonden, vooral voor de hoogmis op zondag, een groot aantal kerkgangers om elkaar het nieuws van de afgelopen week te vertellen of om afspraken te maken. Aan de kerkmuur hing een mededelingenkastje, waarin kerkelijk en gemeentelijk nieuws aan de burgerij bekend werd gemaakt.
Uit: H.S. Ebben, De eerste vijfentwintig jaar van mijn leven in Beers aan de Maas (2010)
