Johanna Alberdina van der Made werd geboren op 30 december 1848 in Dinteloord. Ze was de dochter van Johannis van der Made, een timmermansknecht, en Maria Roskam, een naaister, beiden afkomstig uit Dinteloord en Prinsenland.

Johanna werkte haar leven lang als dienstbode en was vanaf het begin in dienst bij het predikantengezin van Jelle Anskes de Bruijn in Almkerk. De zoon van dit gezin, dominee Helenius de Bruijn, woonde en werkte in Nieuwendijk. Hij was gehuwd met Sija Anna Vogelaar, die eveneens uit Dinteloord kwam.

Een zuster van Sija Anna, Heiltje Vogelaar, ook uit Dinteloord, was gehuwd met dominee Gerrit Ruijssenaars uit Zevenbergen. Na het overlijden van dominee Ruijssenaars in Indië, keerde zijn weduwe Heiltje in augustus 1907 terug naar Nederland. Ze verbleef korte tijd in Hilversum bij haar zuster, Adriana Willemina Vogelaar, die gehuwd was met Antonie van ’t Oever aan de Neuweg aldaar.


Heiltje vertrok naar Scheveningen. Ze nam Johanna, die in alle genoemde gezinnen had gewerkt, mee naar haar nieuwe woning aan de Haringkade in Scheveningen. Daar overleed Johanna Alberdina van der Made op 13 augustus 1923.
Johanna's leven stond in het teken van haar werk als dienstbode in verschillende gezinnen die allemaal met elkaar verbonden waren door familiebanden en haar geboortedorp Dinteloord. Haar toewijding en langdurige dienstbaarheid bij deze families getuigen van een sterke loyaliteit en een diepe verbondenheid met de mensen bij wie zij in dienst was.
