In deel 1 van dit verhaal maakten we kennis met directeur Gerard Knuvelder van het Sint-Joriscollege in Eindhoven. In dit deel gaat Gerard Strijards dieper in op zijn politieke ideeën en activiteiten als katholieke publicist.
Chronische miskenning Knuufs deel
Het gezicht van de rector Knuvelder was getekend, rimpel voor rimpel, door een intens gevoel van miskenning voor zijn talenten als leidinggevende én als historiografisch litterator. Hij had er, alles bij elkaar, wel een zekere reden voor. Al had hij noodlottigerwijze er stellig ook zelf veel aan bijgedragen. Knuuf was één van de vele Brabantse katholieken die uit de meest hooggestemde motieven een grote fan was geworden van de variant van het Italiaans fascisme die uitgedragen werd door Benito Mussolini.
In zoverre begrijpelijk, omdat Mussolini een eind had gemaakt aan de tergende “Romeinse kwestie”. Die kwam er sedert 1870 op neer dat de Paus geen wereldlijk soeverein meer kon heten, omdat het Koninkrijk Italië een volledig eind had gemaakt aan de Kerkelijke Staat, zoals omschreven in de slotakte van het Congres van Wenen in 1815.
Het Concordaat van Lateranen-1929
Italië gold nu als een klassiek liberale eenheidsstaat. Het had de territoria van de Paus, geborgd als eeuwigdurend gewapend neutraal door de westelijke geallieerden van 1813, stomweg genaast. De Paus verklaarde zich nu “gevangene van Vaticaanstad” en verliet het grondgebied van het circus van Nero niet meer.
Tot 1929, het jaar waarin Mussolini de Paus als Stedehouder Christi de territoria binnen dat circus gunde als soeverein gebied mét enkele enclaves daarbuiten. Zodat de Paus weer diplomaten kon zenden naar wereldlijke regeringsleiders. Mussolini sloot het beruchte Concordaat van Lateranen in 1929 waarin ook de Kerk als rechtsorganisatie een geïndexeerde schadeloosstelling kreeg voor het teloorgegaan onroerend goed uit de beschikkingsmacht van de Heilige Stoel.
Knuvelder als polemiserend publicist

(bron: Wikimedia Commons (opent in een nieuw tabblad). Publiek domein)
Dat had Knuvelder zeer voor deze Italiaanse fascistoïde journalist-politicus ingenomen. Knuvelder had publicitaire aspiraties en beoogde ook staatkundig veel aan de weg te timmeren. En daar vond hij diverse platformen voor in het interbellum, waarbij hij een totalitaire staatsidee scheen te koesteren met een centraal monarchaal gezag. Waarbij hij, helaas, niet gevrijwaard bleef van een zeker sociaal-biologisch darwinisme en evenmin van een rabiaat beleden antisemitisme. In 1964 had de Nijmeegse historicus L.M.H. Joosten er in zijn geruchtmakende dissertatie Katholieken en fascisme in Nederland 1920-1940 omstandig op gewezen dat ‘bij de betrekkingen van katholieken met het fascisme in Nederland vooral letterkundigen een belangrijke rol hebben gespeeld.’
Aan de hand van tijdschriften als Roeping, het jongerentijdschrift De Gemeenschap en enkele kortlopende radicaal-katholieke blaadjes als De Valbijl, De Paal, De Christophore, Vrijdag en De Dijk was duidelijk traceerbaar dat Knuvelder politiek niet vrij gebleven was van de merkwaardige autoritaire tijdgeest van de dertiger jaren. En zo legde Joosten de vinger op de zere plek van het rechts-radicalisme onder katholieke jongeren in de jaren twintig en dertig, van wie er enkelen nog in leven waren.
In de ban van goed of fout
In een tijd van Herrijzend Nederland, na 1950, was een dergelijk verleden echt wel een beletsel om niet te solliciteren naar meer in het oog lopende aanstellingen, zoals een professoraat of een rectoraat aan een prestigieuze middelbare school, als hoedanig het Joriscollege inmiddels wel bekend was geworden. Niettemin stak G.P.M. Knuvelder niet onder stoelen of banken dat hij voor dat soort promoties in aanmerking wilde komen, gelet op zijn litteraire verdiensten.
Dat zal hem dus niet glad, vooral omdat er vele kapers mede op die kusten waren, zoals de leeropdracht van Brom te Nijmegen of die van Rogier daarna. En dat directoraat van het Joris. Knuuf was niet ongeschonden uit die strijd gekomen en was deerlijk verontwaardigd dat men hem wilde afrekenen op een politiek verleden dat hij meende onherroepelijk van zich afgeschud te hebben. Ook al had hij destijds wel degelijk renommée gekregen door zijn geharnaste standpunten en ook al was hij stellig niet de enige geweest.

Bron: collectie Nationaal Archief nr. 911-8183 (opent in een nieuw tabblad).
Publiek domein )
En ook al was het tussen 1945-1955 niet vanzelfsprekend dat naar dergelijke staatkundige verledens gekeken werd bij het vervullen van vacatures met prestige. Knuvelder had verder de pech dat Anton van Duinkerken, ook wel prof Dr Willem Asselbergs, als hoogleraar flink te keer was gegaan tegen Joosten, juist in verband met diens voortdurende refertes aan het bezwadderd staatkundig verleden van Knuvelder, op het moment dat deze de voelhorens uitstak naar een leeropdracht en naar het genoemde rectoraat of directoraat.
Asselbergs oppositie
Asselbergs was tijdens de formele promotieplechtigheid in de Aula van de Katholieke Universiteit te Nijmegen als opponent volledig uit zijn dak gegaan vanaf het hooglerarenrostrum en binnen de corona in Nijmegen tegen de promovendus, die zich slagvaardig geweerd had, maar ook weer onder staccato citaten van Knuuf.
Waaruit bleek dat Knuuf niet alleen veel sympathie had getoond, destijds, voor Zwart Front (opent in een nieuw tabblad) van Arnold Meijer te Oisterwijk – een weerbaarheidsorganisatie die veel weg had gehad van Hitlers weerkorpsen WA en SS – maar ook voor de NSB van Mussert en de Groot-Nederlandse gedachte, gepromoot door de Nationale Unie. En dat deze gremia wel degelijk aanhangers waren gebleken van het nationaalsocialisme van de Oosterburen was nauwelijks nog voor betwisting vatbaar.
De goeden versus de slechten
De heftige woordenwisseling tussen Asselbergs en Joosten kwam uitvoerig aan de orde in de periodieke pers. En dat kwam de reputatie van d’n Knuuf bij de sollicitatie naar het openvallende directoraat beslist niet ten goede. Bedenk, dat de publieke discussie over de Tweede Wereldoorlog vlak na de oorlog werd beheerst door het ‘goed-of-fout-syndroom’. Er waren helden geweest. En schurken. Dat was het schabloon van die dagen. Aldus werden Nederlanders, doorgaans met weinig gevoel voor nuance, ingedeeld ‘bij een van de varianten op het verzet-collaboratie-continuüm’. Iemand was óf volledig goed óf volledig fout geweest.
Dat iemand soms wel fouten had gemaakt, maar doorgaans een ontwijkende opstelling had vertoond al ware opzettelijke distantie van het Hitlerisme verkieselijker geweest, was geen aanvaardbare tussenpositie. Destijds, toen Knuvelders blinde ambities bleken. Aldus kwam de stelling van Joosten hard aan.

collectie Literatuurmuseum (opent in een nieuw tabblad))
De katholieke historicus haalde zich dan ook de woede en verontwaardiging op de hals van veel geloofsgenoten, ook van hen die zich voor en tijdens de oorlog van iedere rechts-radicale ideologie hadden gedistantieerd. Zo brandmerkte Anton van Duinkerken Joosten als een nestbevuiler die oude wonden openscheurde en de vuile roomse was buiten hing. Van Duinkerkens recensie, die verscheen in het obscure Jong Nederlands literaire tijdschrift, was even bijtend als geforceerd. Ze vormt zelfs in de ogen van diens biograaf Michel van der Plas een dieptepunt in zijn kritisch oeuvre. Joostens Katholieken en fascisme en Van Duinkerkens aanval op dit boek leidden nog tot een kortstondige polemiek in na-oorlogs katholiek Nederland.
Terwijl Joosten werd bijgevallen door zijn leermeester en promotor L.J. Rogier, kreeg Van Duinkerken kort na de publicatie van zijn honende bespreking de gelegenheid zijn aanval op Joosten nog eens over te doen in het tijdschrift Brabantia, op uitnodiging van Gerard Knuvelder, één van de centrale figuren in Joostens proefschrift. Voorts bleef Knuvelder verder ook niet echt op de achtergrond.
Wie geknipt en geschoren wordt moet stilzitten
Terwijl het soms wijs kan zijn zich te realiseren dat wie geknipt en geschoren wordt, beter tijdelijk stil kan blijven zitten zolang hij onder het laken van de coiffeur vertoeft. Het was aan d’n Knuuf niet besteed. Onbegrijpelijk is achteraf, bij alles wat destijds eigenlijk al lang bekend was van d’n Knuuf, dat G. Knuvelder is aangesteld, om voor een aantal maanden hoofdredacteur van Het Parool in bevrijd gebied te zijn.
Het Parool, de Amsterdamse Verzetskrant waarin Simon Carmiggelt ook participeerde. Maar d’n Knuuf zag geen zwarigheden opdoemen toen hij zich ook aldus in de kijker speelde. De directie van dat bevrijde zuidelijke Parool bestond uit o.a. uit Dr. W. H. van de Sande Bakhuijzen, in 1940 werkzaam bij Philips op de Octrooi afdeling. De redactie ervan was zijn woonadres Lijsterlaan12. En dat was tevens het administratie adres, de eerste maanden nadat de strategische manoeuvre bekend als Operation Market Garden zich doorontwikkelde tot een gave en desastreuze mislukking.
De Knuuf zag een platform. En sprong er dus op. Een tekenende gestie. Die d’n Knuuf als directeur ook bleef praktiseren. Het bleef misprijzingen genereren, die d’n Knuuf achteraf toch niet kon verwerken. In een geruchtmakend interview met Joos Florquin vertelt Knuvelder: "Die kerels kwamen mij op zekere dag (voorjaar 1945) vertellen dat het blad de sociaaldemocratische richting moest uitgaan, waarop ik dan geantwoord heb dat ze aan het verkeerde adres waren omdat ik niet aan politiek deed."
De reacties lagen vervolgens voor de hand. Een paar jaar immers daarvoor had hij wel een duidelijk politieke mening zoals blijkt uit een aantal citaten uit: Gerard Knuvelder op oorlogspad, of de metamorfose van een criticus: "In 1933 mondde Knuvelders pleidooi voor een krachtige Nederlandse volksgemeenschap uit in een uitgesproken positieve waardering van de Machtübernahme door Hitler". "Zijn opstel ‘Hitler’ is één grote lofzang op de door de Nazi's bewerkstelligde ‘Duitse revolutie’ - een contrarevolutie die een afrekening inhield met de ongewenste erfenis van de Franse revolutie." "In Duitsland - aldus Knuvelder - krijgt Europa een laatste kans." Intussen ondernam Knuvelder verwoede pogingen om een ‘Bond van katholieke fascisten’ van de grond te krijgen, maar daar wist zijn Eindhovense schoolbestuur een stokje voor te steken.

Dat de revolutie van rechts in Gerard Knuvelder een warm staatkundig pleitbezorger had, bleek nog eens in het artikel ‘Gleichschaltung’ uit 1933. De teneur van dit stuk is radicaal antisemitisch. Ook de openbare boekverbrandingen waartoe de Nazi's waren overgegaan hadden Knuvelders volmondige instemming, immers: "Men kan met de Duitse staat slechts erkennen, dat een massa literatuur slechts Schund is, morele Schund in enger zedelik opzicht, in breder opzicht tegen de geest, de goede zeden en gewoonten des volks. [...] Rotte plekken dienen grondig uitgesneden te worden. Hebben wij respect voor de mannen, die aandurven de moedige daad welke onsympathiek maakt...althans in de oogen der liberale esthetelingen!" Het verbranden van boeken werd een repeterend motief in de kritieken van Knuvelder. Zijn recensie van een werk van W.A. Wagenaar besloot hij met de uitroep: ‘Dit boek roept om de brandstapel." In de loop van de jaren dertig distantieerde Knuvelder zich uiteindelijk van Nazi-Duitsland en van het rechts-extremisme. Maar toen was het staatkundig tij in het algemeen zich al tegen Hitler aan het keren. De Knuuf raakte toch teleurgesteld door de uitkomst van de ‘Duitse contrarevolutie’. De voornaamste reden waarom hij afstand nam van Hitler was echter gelegen in het feit dat de Führer de rechten van de Duitse katholieken niet respecteert." Zie verder voor meerdere citaten het artikel van in Nederlandse Letterkunde 6(2001) (opent in een nieuw tabblad).
Dit alles in aanmerking genomen kan het dus niet verbazen, dat Knuvelder Mussolini en Hitler bewonderde, die met harde hand orde op zaken hadden gesteld. Wel keerde hij zich bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog fel tegen de laatste, maar na mei 1940 gaf hij, dus in volle bezettingstijd, toch nog enkele malen blijk van een naïeve hoop dat onder de vleugels van de Duitse adelaar enkele van zijn oude politieke idealen alsnog zouden worden verwezenlijkt (Bron: M.C.A. van der Heijden, 'Knuvelder, Gerardus Petrus Maria (1902-1982)', in Biografisch Woordenboek van Nederland (opent in een nieuw tabblad)).
Dr. Jan van Oorschot schrijft in Eindhoven, een samenleving in verandering (pagina 1007): "In de eerste maanden treedt G.P.M. Knuvelder als hoofdredacteur op. Knuvelder wijkt principieel af van het door de socialisten voorgestane gelijkheidsideaal."
Van Oorschot plaatst zelfs de denkbeelden van Knuvelder niet terug in de jaren dertig maar zo'n 500 jaar eerder. In de tijd waarin het canonieke recht westelijk Europa overheerste. Van Oorschot schrijft woordelijk: "(...) waarbij Knuvelder hunkert naar de middeleeuwse maatschappij met zijn standen en klassen en waarin ‘de hiërarchie der waarden’ zoals het katholicisme die ziet algemeen aanvaard werd."
Het is dan niet echt moeilijk te concluderen: "Het kan voor de lezers niet verborgen blijven dat Knuvelders parool een ander is dan de boodschap die het illegale 'Parool' heeft willen brengen. Het blad moet 'onafhankelijk van alle politieke partijen (...) principieel democratisch en vooruitstrevend zijn." Volgens Van Oorschot zorgen mevrouw H. Verweij-Jonker en N.J. van de Sande Bakhuyzen ervoor dat een geruchtmakende "commandowisseling" bij die krant plaats heeft. Knuvelder moet eruit. Koste wat het kost. Ook al verzet Knuvelder zich met alle middelen. Van Oorschot stelt: "Daarmee is het intermezzo-Knuvelder voorbij." Zeker. Maar niet zonder ’s man faam te ondermijnen. Zonder dat d’n Knuuf dat ooit echt heeft kunnen begrijpen. Of billijkend aanvaarden. Onder het motto dat wie zijn gat heeft verbrand aan de hete kachelrand op de blaren zal moeten blijven zitten.
