“Een persoon van een brutael, eensinnigh ende koppig humeur, seer genegen tot plijten en procederen.” Nee, een makkelijk heerschap kan Adolphus Thomasius niet worden genoemd, zeker niet omdat hij ook nog eens “voor de regeringhe alhier geen het minste respect hebbende”. Maar in 1690 is hij wel secretaris van de vrijheid Oisterwijk en later ook van de dingbank Helvoirt en advocaat bij het Hof van Justitie. En dat zorgt voor nogal wat problemen blijkt uit de archieven.

Op 23 november 1691 schrijft Adolphus Thomasius een verzoekschrift aan de Staten Generaal. De borgermeesterrekeningen en de zet- en hefboeken worden hem onthouden, maar zouden aan hem overgeleverd dienen te worden. Hij schrijft dit verzoekschrift als secretaris van de dingbank Oisterwijk waaronder de vijf gehuchten Haaren, Udenhout, Enschot, Berkel en Heukelom ressorteren.
Uit een beschrijving van het dorpsbestuur van Udenhout lezen we het volgende: De secretaris van de vrijheid Oisterwijk, die ook secretaris was van Udenhout, is verantwoordelijk voor de bewaring der archieven van alle betrokken gemeenten. Het archief van Udenhout wordt aanvankelijk bewaard in de kapel te Oisterwijk. Nadat mr. Adolphus Thomasius als secretaris op 8 februari 1690 was geïnstalleerd ontstaan er dadelijk moeilijkheden.
Weigerende Thomasius
Thomasius weigerde kennelijk naar de dorpen te komen om de gerechtelijke akten te schrijven. Het gevolg was, dat de regenten der gehuchten naar Oisterwijk moesten afreizen als zij bestuurszaken wilden afhandelen. Zij wendden zij zich tot de Raad van State, die op 8 februari 1692 bepaalde, dat de archieven moesten worden teruggegeven. Thomasius weigerde dit bevel op te volgen.
Het gaat van kwaad tot erger; of het nu gaat om zijn huis, of het opmaken van zijn testament of de zorg voor zijn geesteszieke zuster – bij deze Thomasius lijkt alles voor problemen te zorgen. Wil je welen hoe het komt dat hij zelf krankzinnig wordt en wat het archief daarmee te maken heeft?


