Bij de Vrede van Münster werd als principe vastgesteld dat de situatie van 1609, toen de legers van de zeven opstandige provinciën een afwachtingsopstelling hadden ingenomen aan de zuidelijke fronten om een eerstkomende uitval te doen in brigades tegen de Spaanse troepen, uitgangspunt zou worden bij de uitlijning, de cartografische delineatie, van de Republiek in 1648.
De Westfaalse vredesregeling
Deze troepen lagen in loopgraven, achter schansen en stellingen die kort tevoren opgeworpen waren en die ook waren aanvaard als bestandslijnen door de commandanten van de veldtroepen bij het aangaan van de strekking van de wapenen, die men veel later het “Twaalfjarig Bestand” was gaan noemen.
Daarbij hadden die commandanten aan beide kanten omgezien naar hoogten in de grondoppervlakten, waterlopen, grint- en zandpaden, bosschages waarin al maanden bivak was geslagen, resten van gebouwen en grenzen van akkers, kloosterimmuniteiten, jaagpaden en bakens in het landschap. In die liniën waren troepen als het ware bevroren. Vandaar dat die grenzen zo grillig verlopen, tot op de dag van vandaag. Kijk maar eens naar de rare kartelige verlopen van de Brabantse zuidgrens met Belgenland. [Noot van de redactie: in België wordt wel gesproken van 'de bulten'.] Deze regelingen van het grensverloop hadden de diplomaten te Münster niet zelf ter hand genomen. Dat was veel te gedetailleerd en ingewikkeld.

Uitvoeringsarrangementen
Dat werd overgelaten aan uitvoeringsarragementen, op te stellen in overeenstemming met de soevereinen van de Zuidelijke Nederlanden, de Habsburgse Oostenrijkse dynastieke stamhouders. De aartshertogen dus uit dat huis. Die arrangementen zijn overgelaten praktisch aan regeringscommissarissen namens dat huis die daaraan een aardig verdienmodel ontleenden en dus geen haast maakten met de klus. Wel integendeel. En vooral als het ging om de juridische enclaves, immuniteiten, exterritorialiteiten en vrijheden te gunnen aan buitenlandse gezagsdragers zoals de Ridders van de Duitse Orde.
Neem bijvoorbeeld de omlijning van de enclave Gemert. In beginsel werd te Münster steeds er van uitgegaan dat eventuele enclaves die vóór 1566 hadden bestaan en volkerenrechtelijk waren erkend weer terug moesten gaan naar hen die de jurisdictie daarover alstoen rechtmatig hadden uitgeoefend. Bij een enclave als Gemert heeft het tot 1662 geduurd totdat duidelijk werd hoe territoriaal deze enclave te definiëren was en op welke basis. Want rondom Gemert hadden in 1609 geen afwachtingsliniën bestaan van de toen conflicterende legerscharen.

Vervolgens was ook niet heel duidelijk welke soevereiniteit de Duitse Orde, een rechtspersoon tenslotte, over Gemert kon uitoefenen in religieuze zaken. Hád een rechtspersoon, een afgezonderd doelvermogen met beheerders, eigenlijk wel een religie, werd de vraag. Die stelde Den Haag, omdat het had uitgemaakt dat een vennootschap nooit een godsdienst kon belijden. De heren Hoogmogenden der Staten-Generaal deden daar geweldig moeilijk over en wilde dat de Orde garanties gaf voor de godsdienstvrijheid van niet-katholieken.
Maar wie waren dat dan? De Nederduyts Gereformeerden, of ook de protestanten als de Remonstranten en de Wederdopers? Hadden zij dan ook recht op een kerk of bedehuis en gold dat ook voor Joden of Israëlieten? Wie waren dat dan en volgens welke kenmerken? Deze strijd sleepte tot in de achttiende eeuw aan en al die tijd was er rechtsonzekerheid. Ook en juist omtrent de verwerving van onroerend goed en over de vraag welk verervings- en verjaringsrecht toepasselijk kon zijn. Bij de enclaves Baarle-Hertog en Baarle-Nassau heeft dat zelfs tot in de twintigste eeuw geduurd. Bij een armelijke streek als die van Strijp in zijn beekdal had je al deze problemen niet en verder meldden zich opmerkelijk weinig gegadigden. Hier was niks te halen. Ook niet na investeringen.
De Oranjes als substituut heren van onopgeëist wingebied
Daarom konden de Oranjes hier makkelijk jurisdictierechten vestigen, hun soevereine vrijheden effectueren en tienden gaan incasseren. De Staten-Generaal in Den Haag stonden dat aan deze hoge ambtenaren gaarne toe, want aldus kon hun toelage als militaire bevelhebbers in dienst van de Republiek verminderd worden. Dat kon knaken schelen. Altijd nog wel lucratief als het ging om het recht van windvang, duivenvlucht en molenslag.
De Strijpers hadden aan deze differentiaties niks. Helemaal niks. Ze bleven betalen naar de veel te hoge forfaitaire Luikse Tarieven maar nu aan inners die de poet doorspeelden na afdracht van provisies aan die Oranjes of hun pachters van dat soort rechten. Nooit wist de Strijper zeker of hij aan de ultieme rechthebbende gekweten had. Hij kon dus nieuwe aanslagen verwachten uit ongedachte hoek, zodat hij soms twee keer kaal geplukt werd. En de afgedankte miliciëns bleven hem teisteren, jarenlang.

De nog in regelmatige dienst van Madrid zijnde huurmiliciëns, zo werd verwacht, zouden ook na vredessluiting daar zeker weken moeten wachten totdat hun huurders, de regeringen aan wederzijden, zouden besluiten tot het hervatten van de strijd, want daarover bestond geenszins zekerheid. De demobilisatie van dergelijke expeditionaire troepen was wel overeengekomen in die gotische bovenzaal te Münster, zeker, maar hoe, in welk tempo en wanneer precies, dat was ook iets voor nadere regelingen tussen Madrid en Den Haag. Bedenk: de last die de burgers, onderdanen of bij de gronden behorende daggelders hadden van deze af te danken miliciens was geen zorg voor de diplomaten te Münster. Dat waren regenten uit de betere families - en die zorgden wel dat die families niets te kort kwamen. Aldus werd ook de grondslag gelegd voor de exhibitionistische welvaart van die families in de achttiende eeuw.
Hun regeringen regelden dat bij onderlinge geheime afspraken en wat Holland betreft, dat kon het best gebruiken als Brabant nog decennialang gedestabiliseerd bleef onder de druk van de benden die de ex-soldaten plachten te vormen. Als Madrid nieuwe muntzendingen in zilver en goud kon bemachtigen op korte termijn uit de Nieuwe Wereld – en dat hing vooral af van de inventiviteit van de vijandelijke kapers die de westelijke oceaankusten beheersten – dan kon het krijgsgeweld weer aanzwellen, dóórgegeven door het schrille geluid van de bugels en hoorns van de brigades ter plekke. Die dreiging bleef ook lang over Braboland hangen.
Dan kon Madrid wel maatregelen treffen om deze troepen versneld terug te nemen naar de Zuidelijke Nederlanden, bijvoorbeeld aan de Vlaamse Westkust om daar als reserve te dienen voor de aartshertogen van Habsburg. Maar waarom zou het dat doen? Madrid had er baat bij dat Antwerpen voorlopig uitgeschakeld bleef. En Holland helemaal. De ex-soldaten hadden in Braboland makkelijke prooien in de ontdane ingezetenen en vonden hun verblijf vaak opperbest.
Ze wisten aldus ook best geslachtsverkeer te krijgen van de Brabantse schonen die nog veil waren – hoe dan ook – en verder hadden ze weinig van politie en justitie binnen deze wingewesten te duchten. Dat er weer een oorlog verklaard zou kunnen worden aan de Republiek werd illusoir geacht. Dat was een vergissing. Die in Den Haag traditioneel steeds gemaakt werd in de euforie van de hausse die vredesregelingen meestal meebrengen. Den Haag ging Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en de stukken Limburg die het nu mocht beheren als koloniaal gebied min of meer beschouwen als mandaatgebieden, zoals de Britten en Fransen dat later ook deden op basis van de Vredesregeling van Versailles in juni 1919 afgeparafeerd. Gebieden die uitgenut werden; beheerd, maar niet geregeerd. Wingewesten. Dat zouden ze in de praktijk blijven tot in de twintigste eeuw. In Holland zou geen oorlog komen. Niet meer; dat was het credo.

De welvaart in Holland
Twaalf jaren was dat immers uitgebleven terwijl Spanje toch zo machtig leek, omdat er steeds aan wederzijde een nieuw beletsel was om de geweldsverrichtingen te hervatten. Daarom was er in 1621 eigenlijk al alle reden om het bestand om te zetten in een definitieve Vredesregeling. Dat werd echter verhinderd door de staten, die ineens erachter kwamen dat er een geduchte handelsconcurrent in het commerciële internationale veld was opgekomen: het Gewest Holland. Frankrijk en Engeland zagen dat ongaarne.
Ze grepen alle incidenten aan om geen Vrede te hoeven accepteren waar Holland baat bij zou spinnen. Dat daarbij de Zuidelijke Nederlanden inclusief Brabant van de markten zou worden verdrongen was hun toeleg, een aspiratie waar Holland ook geen bezwaar tegen had, aangezien Brabant ook door Amsterdam, Rotterdam en Delft gezien werd als een mededinger op de mondiale transoceanische markten die zich aan het vormen waren door de westerse kolonisaties van de Nieuwe Wereld.
Failliet Madrid
Sedert 1602 was het aan de zijde van de opstandelingen erg goed gegaan, economisch, die hadden korte logistieke aanvoerlijnen. Maar die zaten niet te wachten op deze voortzetting van een kostbaar bloedbad. Madrid telde dat niet, maar technisch gesproken was het bijna failliet, zij het steeds weer door nieuwe economische tegenvallers. Die namen gaandeweg in ingewikkeldheid structureel toe, omdat het eigenlijk geen centraal bancair systeem had dat de muntcirculatie dirigeerde zó, dat geen hyperinflatie ontstond.
Na 1621 was dat euvel blijven voortbestaan. Holland had zulk een systeem wel degelijk eerst via het nieuwe bancaire systeem dat Johan van der Veeken te Rotterdam had opgezet in klakkeloze imitatie van het Antwerpse systeem. Daar kwam Van der Veeken, succesvol reder, koopman en marktkundige, vandaan. Hij was herwaarts gevlucht ná de Val van Antwerpen in 1585. Hij bleef katholiek. Hij kende Brabant als geen ander en was het hartelijk toegedaan. Maar ook hij was de plunderages van de huurlingen van Madrid en hun oorlogsmisdaden meer dan zat.

Van der Veekens visie op Brabant
Node zag hij dat de strijd hervat zou worden. Brabant was het gewest naar zijn hart en nog altijd verlangde hij naar de kleurrijke mystiek van de Roomse liturgie met het polyfonisch gezang. De losse hoofsheid en de luchtige levensvreugde van de riten der Moederkerk. Zo was het gebleven nadat de woelzieke muiterij was hervat. Brabant zou noordelijk toegescheiden worden aan de Republiek. Die besloot dat het koloniaal terrein was om winst te genereren. Meer niet.
Brabant had in 1579 de verzekering gekregen vanwege de landsregering dat de godsdienst vrij zou blijven, maar daar deed de Vrede van Münster geen recht aan, omdat Holland dat niet wilde, kortstondig, maar beslissend. In het barrièreland zou de Nederduytse Religie de heersende worden. Maar niet de staatsgodsdienst. Hoge ambten zouden worden vervuld door protestanten.
Voor Strijp betekende dit alles dat het Trudokerkje protestants zou worden en dat de katholieken niet meer zouden mogen begraven op hun middeleeuwse kerkhof. Dat was een smartelijk affront voor de talloze Strijpse families die eeuwigdurende grafrechten hadden gekocht en die vervolgens de daarmee overeenkomende monumenten hadden opgericht.
Geen dominees standplaatshoudend in Strijp

Er kwam geen dominee. Maar zo nu en dan kwam er toch een voorganger uit Eindhoven, als er tijdelijk protestanten metterwoon zich in het Strijpse beekdal hadden neergelaten. Dat waren er echt niet veel. Leuk was het er niet, daar in Strijp. Maar soms moest een verbannene, strafvorderlijk vervolgde of armlastige uit Holland wel daarheen verkassen omdat hij het in zijn woonplaats te bont had gemaakt. Daar, dat was voorzienbaar, zouden ook rechtshandhavingsproblemen uit voort komen en die moest de Raad van State als beheersinstantie van de wingewesten in de hand houden.
Eventueel politioneel. De Raad deed dat aanvankelijk tactloos en ondoordacht. Hij kende de verhoudingen niet en snapte niet wat de aard was van de ordeverstoringen. Protestanten zagen zich als afgevaardigden van het denkend deel der natie. Ze stelden zich bepaald niet schuchter op. Ze vonden dat de inheemsen maar moesten plaatsmaken, eerbiedig slaven en blij kijken. Aldus Alberdingk Thijm in zijn Nova Catholica Neerlandia Conditio, waarvan ik de eerste titel-binnenpagina ter illustratie bijvoeg. Ik zal Thijm er nog vaak bijhalen, evenals de sub-auteurs die hij bezigde.
