De Raad van State was destijds opgericht door de Habsburgers als lichaam dat de centralisatie van de regeringsadministratie in de Lage Landen zou gaan borgen en vooral zou opletten dat de daartoe geslagen wetsbesluiten effectief zouden worden uitgevoerd.
Een Sargassozee van staatkundige misfits
Maar daar was, nadat het Twaalfjarig Bestand in 1621 weer was afgelopen – tot immense spijt van Holland – zoals aangegeven niet de geringste behoefte meer aan. Toch hief men de Raad niet op. Dat doet Den Haag met dat soort duistere colleges van staat nooit. Ze blijven bestaan, want ze stralen, omdat ze zich hebben ingevreten in een bestuursmassief, een zekere legitimiteit uit.
Zeker als de uitvoerende regering vervelende beleidsombuigingen wel genomen heeft maar effectief niet wil doorzetten. Dan besteedt men die doorzetting aan zo’n college uit. Dan heeft het wat te doen en in voorkomende gevallen kan de regering dan terugvallen op zo’n college als het een advies heeft gegeven of een beslissing heeft bekrachtigd die maatschappelijk veel weerstand zou kunnen oproepen. De Raad is dus een soort Sargassozee van onwelgevallige aangelegenheden en een verzamelbak van mislukte politici die toch aan hun aanzienlijke pensioen moeten worden geholpen zonder opvallende wachtgeldregelingen.

De degradatie van Brabant als koloniaal wingebied zou stellig niet goed vallen in Het Zuiden, dus was het een kolfje naar de hand van de Raad van State om dat toch er doorheen te jassen na 1650. Wat nu precies de status was van dergelijk koloniaal gebied was niet echt duidelijk: werd Braboland nu feitelijk militair bezet of juist niet? Had het nog een rudiment van enige interne soevereiniteit? Dat wist eigenlijk niemand en dat kon ook niemand in de Randstad een barst schelen. Dat moest de Raad van State zelf maar eens uitvogelen. De latere raadpensionaris Simon van Slingelandt [raadspensionaris van Holland van 1727 tot 1736, red.] heeft zich over deze nonchalante aanpak behoorlijk opgewonden.
Maar hij was dan ook welhaast de enige, afgezien, uiteraard, van de Brabo’s zelf. Dan hadden die politici, de afgedankte Hoogmogenden ook wat te doen en waren ze voorshands onschadelijk. Er was dus weinig expertise in de raad aan boord over Braboland en deszelfs noden, maar dat was altijd mooi meegenomen. De adviezen konden daarom ook makkelijk in de wind worden geslagen. Zo is het eigenlijk nu nog. Daarom wil geen regering de Raad afschaffen.
De koloniale beheerstaak
De Raad ging na de ratificering – de volkerenrechtelijke bekrachtiging – van de Vrede van Münster door de Staten-Generaal in Den Haag fungeren als beheerder van deze barrière-landen. Primair hadden deze voor Den Haag een militair-strategische functie. Die was, maar dat mocht niet duidelijk gezegd worden, die van een moeilijk doortrekbare bufferzône, waar vijandelijke troepen bijna niet doorheen konden baggeren.
Die militaire afdelingen werden ná 1648 niet echt meer verwacht van Spanje, maar juist wel van Frankrijk dat steeds agressiever werd. Maar dat wou Den Haag natuurlijk niet officieel erkennen, want dan zou het Lodewijk XIV, later bekend als de Zonnekoning, flink op stang jagen. Het parool was dus dat de Spanjolen buiten de deur gehouden moesten worden. Niemand die dat echt geloofde. Welnee. Die mogendheid was aan het eind van haar Latijn. Ze had veel en veel te veel koloniaal gebied verworven in de beide Amerika’s. De koning van Spanje was tevens die van de twee Amerika’s! Hij moest die effectief militair onder de duim kunnen houden. Dat kon hij niet. Geen denken aan.

Maar in dit opzicht hadden deze Castiliaanse heersers een karaktertrek meegekregen van Philips II. Die was natuurlijk al decennia dood, maar zijn schaduw regeerde nog steeds. Want hij gold voor de Spanjaarden als een groot en prudent vorst. Een verstandige vent. Hij had als gebreken dat hij een hyper-perfectionist was, een micromanager en dat hij verdomde koppig was: hij kwam nooit op besluiten terug. Hij had besloten dat Europa katholiek zou blijven. En daarvoor had hij alles over. Eventueel de ondergang van zijn dynastie. Daarop liep hij financieel leeg, want hij vocht óók nog eens tegen de Ottomanen en tegen de Britten. Zijn opvolgers konden zelfs de staatsobligaties van dien nauwelijks meer aflossen en brachten in West-Europa bij voorkeur geen nieuwe militaire lichtingen in het veld.
De Franse monarchie op weg naar absolute soevereiniteit
De Franse koningen zagen nu hun kans. Die dachten noordwaarts uit te breken uit de omsingeling die de Spanjaarden, Engelsen en Oostenrijkers hadden gelegd rond hun rijk. Ze dachten dat via de traditionele doorgangsroute te kunnen doen: de linker grintbedding van de Maas. Maar dat zat ze niet glad. Ze hadden samen met hun militair geallieerde Bourgondiërs de bisschop van Luik van zijn katheder verdreven en daar een ledenpop neergezet in 1468.
Sedertdien respecteerde niemand meer het neutraliteitsstatuut van de Maas. Die rivier werd nu aan beide zijden tot aan Venlo beheerst door rabauwen die steeds weer tollen hieven en verder de vaart op de rivier fors belemmerden naar willekeur. Het gevolg was dat de beurtvaart geen gebruik meer maakte van deze waterweg. De transportkosten waren huizenhoog geworden.
Het verlegde handelsverkeer
De beurtvaarders gingen nu vrachtwagen-karavaans vormen links stroomafwaarts van de Maas. Om toch maar beurtvaart te kunnen borgen met enige regelmaat. Maar die karavanen stieten weer op de verwilderde bedelaarsbenden samengesteld uit gedeserteerde of invalide soldaten uit de Gelderse of Staatse huurlegers. Die wagens moesten gewapende schutterij-brigades mee nemen om over Hasselt, Valkenswaard, Neerpelt, Eindhoven naar Den Bosch te komen.
Die transporten werden dus ook afschuwelijk duur. De beurtvaarders gingen nu de hoofdwegen collectief vermijden en met klein gareel rijden. De prijzen werden niet minder, de risico’s hoger. We kunnen dat zien aan de beurtvaarttarieven die geheven werden ten behoeve van de Maas- en Rijnlandhandel door de stedelijke autoriteiten die alleen geautoriseerde doorgang toeliet.

De prijsstijgingen liegen er niet om. Dat betekende dat ook de Zonnekoning genoemde parmantige Lodewijk XIV te maken kreeg met ravitailleringsproblemen bij uitvallen noordwaarts. Hij moest zijn foeragering laten verzorgen via secundaire wegen. Tenminste, als hij tot aan de Rijn wilde dóórstoten. Daarbij: het ging nu om legergroepen in de duizendtallen. Niet meer om bataljons.
De Zonnekoning als Europese kwelling
De Zonnekoning zag er geen graten in om dwars door akkers en beekdalen te trekken en daar legering te vinden, de boeren berovend van de oogsten te velde en hun vee. Hij kocht soms. Maar hij roofde doorgaans. Soms wilde hij zeker zijn van een plaats waar hij bestendig kon garnizoeneren, want op deze afstand had hij zekerheid nodig van strategische reserve. Dan kocht hij gronden. Dat deed hij in Woensel, dat daarom een territoir voortaan aanduidde als “Het Vrankrijk”. Daar woei immers voortdurend de Frans lelie-vlag en werd Frans gesproken. Het gebied genoot een zekere immuniteit. Vanuit dat Vrankrijk zwermden de hongerige huurlingen uit en deden ook het zompig beekdal van de Strijpers aan.
Strijp klaagt
Die deden beklag, niet bij de Zonnekoning, maar bij de Hollandse heren die steeds een grote smoel hadden over hun superieure bewindvoering en daadkracht. En de Strijpers kregen, wie had dat gedacht, nog antwoord óók. De heren maakten de kwestie aanhang bij de Raad van State en die besloot dat de beurtvaart “biljetten van sauvegarde” moest krijgen tegen uitvallen vanwege Het Vrankrijk. Niet dat dat hielp. De Strijpers konden het niet lezen en de Raad had geen brigades. Bij resolutie besloten de Staten-Generaal dat die brigades moesten opgericht worden. Maar tussen besluit en uitvoering stonden dromen in de weg en praktische bezwaren, zoals altijd in Den Haag.
Lees hier verder in Oud Strijp (15): Uitvoeringsarrangementen...
