Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Oud Strijp (18): Geen confrontaties in Braboland

Oud Strijp (18): Geen confrontaties in Braboland

Gerard Strijards

28 februari 2025

Bijgewerkt op 10 maart 2025

Tussen 1853 en 1870 moest die katholieke zuil nog zorgvuldig opgebouwd worden. Ze was zwak. Het geestelijk personeel ervan was voorlopig slecht opgeleid.

De kwetsbaarheid der zuil

De seminaries en grootseminaries pretendeerden héél wat door uiterlijk vertoon in gebouwen, uitmonstering van de regent – vaak klein paars met de bijbehorende manchetten en statiemantel – en vooral de presidenten van de grootseminaries met hun docenten die onvoorwaardelijk “professoren” werden geheten, maar de opleidingen van deze leraren waren gebrekkig en soms zelfs totaal afwezig. Dat wisten de bisschoppen heel goed. Men doceerde Duits en Engels, maar dat hadden de docenten zelf opgediept uit Vlaamse leerboekjes gedrukt te Roeselare. 

Hun uitspraak was erbarmelijk en hun zinsbouw in de te onderrichten vreemde taal ook. Maar in het land der blinden is éénoog koning.  De beminde gelovige leerlingen die gehoorzaam nog ongestoord in de klassen zaten te kauwen op hun potjeslatijn konden het tóch niet controleren. Hun Nederlands was, grammaticaal, syntactueel en naar woordenschat flink onder de maat en de eerste nationale spellingsregels waren hun vreemd, herkomstig als pupillen en hun didactici waren van Latijnse plattelandsscholen.

Neerlandia Catholica, pagina Den Bosch
Pagina gewijd aan het bisdom 's-Hertogenbosch, in Neerlandia Catholica (Het Katholieke Nederland)

De Schoolwetten

Er waren echter belangrijke wetten over de opzet, kwaliteit en inspectie van het middelbare onderwijs: de geduchte wet Van der Palm uit 1806 en vooral de onderwijswet van Van der Brugghen uit 1857. Die legde de nationale schoolinspecties in handen van rijksinspecteurs, vaak van liberale of protestantsen huize. Vreemde pottenkijkers dus, onvatbaar voor de pogingen van de pastoor om het met zijn vaak armoedig schooltje enigszins te maken of te matsen. Het seminarieonderricht, vooral dat in Brabant en Limburg, kon de toetsen van kritiek die die wetten kenden of introduceerden niet doorstaan. De Nijmeegse professor Louis Rogier heeft er later, in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw, in menig wetenschappelijk artikel op gewezen. De curricula konden wat de bètawetenschappen betreft meestal nauwelijks door de beugel.

Wat te berde gebracht werd over natuurkunde, biologie, chemie en wiskunde placht van achterstalligheden te rammelen. Men wist wel dat Darwins theorie over de biotisch-biologische evolutie van de schepping geen genade vond te Rome, maar eigenlijk niet wat ze inhield. Dat gold ook voor de kruisingstheorieën van de Augustijn Mendel die in deze jaren flink experimenteerde, ongezien en ongeweten door diens hogere Ordegeestelijkheid. Dat gold ook voor de inzichten die Virchows celbiologische experimenten hadden opgeleverd over de wording der zoogdieren en dus van de mens als bezield wezen, wel of niet handelend met wilsvrijheid. Men wist wel en ter dege, letterlijk, dat de Paus Pius IX had verordineerd dat het moraaltheologisch onderricht niet gecorrigeerd diende te worden door de proefondervindelijke vaststellingen die Darwin en Mendel hadden weten op te doen.

Darwin, On the Origin of Species
Exemplaar in het National Museum of Scotland van Darwins 'On the Origin of Species', waarin de evolutietheorie uiteen wordt gezet (bron: Wikimedia Commons).

Men beval de op te leiden priesters dus van deze bevindingen verre te blijven, omdat ze een correctie in konden houden op het letterlijk te nemen historisch relaas van Genesis. Het onderwijs wat hier verstrekt werd, was dus in klassiek-liberale zin per definitie achterlijk en moest dat decennia blijven. Want er waren nauwelijks beter opgeleide onderwijskrachten te rekruteren, nog in geen decennia.  Maar dat hoefde nu ook weer niet uitgebazuind te worden, want daaraan kon de rijksoverheid aanstoot nemen en overgaan tot sluiting van de onderwijsinrichtingen van de katholieken.  Dat wisten de Apostolisch Vicarissen en de latere bisschoppen maar al te goed. 

De plichtmatig ingezonden pastorele jaarverslagen

Uit de jaarlijkse rapporten die de pastoors van de dioceses Breda, Den Bosch en Roermond sedert 1854 moesten inzenden over de financiën van de parochies bleek wel dat de pastoors moeite hadden met de actuele rekenkunde, maar evenzogoed met de plichtmatige spellingswijzen van Siegenbeek en die van De Vries en Te Winkel. Daarop moest de aandacht van Den Haag niet gevestigd worden, want dan kwamen de districtscommissarissen van onderwijs ter inspectie, vaak gesecondeerd door een protestantse kantonrechter die tijdelijk ook het ambt van regionaal schoolopziener uitoefenden.

De prelaten die het onderricht leidden, moesten dat vermijden en dus trachten in peis en vree met de burgemeesters van de plaats waar de seminaries gevestigd waren voort te leven. Dat was het uitgangspunt van het toenmalige bisschoppencollege, krachtdadig gepresideerd door Zwijsen. Hij zorgde ervoor dat er wat schrikachtige bisschoppen in de overige dioceses werden benoemd die nooit zaken extern op de spits zouden drijven. Wrijvingen met Den Haag werden onder het tapijt geveegd. Men beloofde beterschap en vertrouwde op de Haagse ambtelijke vergeetachtigheid en inertie.

Dat werkte best tot 1922. Toen werd de royale gelijkstelling van het bijzonder en het openbaar lager onderwijs integraal ingevoerd. Toen kregen de pastoors daardoor ineens flink veel geld. Maar toen kregen ze ook ingrijpende inspecties vanwege het rijk over de besteding ervan. Die inderdaad vaak niet in de haak bleek, omdat de pastoor er een klooster van had laten bouwen of een patronaatsgebouw. Pastoors rommelden wat af en bleken maling te hebben aan wat Den Haag hogere cultuurverspreiding beliefde te noemen. Ook al, omdat de pastoors zelf die cultuur niet echt in de vingers plachten te hebben. De Stuers had dat al vaak in ambtelijke stukken vastgesteld.

Victor de Stuers
Jhr. mr. Victor de Stuers (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed via Wikimedia Commons).

In de Tweede Kamer, waar Victor later lid van werd, hield hij zich helemaal niet meer in. De pastoors werden voor hem dezelfde schandvlekken als de militairen die de pacificatie in Atjeh hadden geleid op Noordoost-Sumatra tot 1903. En Victor noemde man en paard, tot vermaak van de niet-confessionele Kamerfracties. Daarom weten we het zo goed. Victors streven om het historisch erfgoed te restaureren en te preserveren werd door de roomse geestelijkheid niet herkend. Maar de aan de restauraties verbonden gelden werden graag geïncasseerd door de geestelijkheid, die overigens aan Victor massale lippendienst bewees. Via geschiedvervalsingen. Overigens niet kundig uitgevoerd. Ze vielen dus op.

De parochieherders zonder historisch en cultureel besef

In dit opzicht werd hij beslist niet goed bediend door Willibrordus van Lieshout. De pastoor te Tongelre. Die had een kerk die onmiskenbaar dateerde wat de beuken en het schip betreft uit de vijftiende eeuw. Maar er was een Romaanse crypte onder en verder waren de fundamenten onbetwistbaar van Romeinse makelij. Het departement van Binnenlandse Zaken vond haar zeer de moeite waard, voorgelicht door Victor de Stuers. Die was in de tweede helft van de negentiende eeuw expert op het gebied van de monumentenzorg. Victor was niet best te spreken over de pastoors in Limburg. Die stonden nog niet in hun parochie of ze begonnen te zeuren over nieuwe, neogotische basilieken en afbraak van middeleeuwse bedehuizen in die gemeenschap. Voor hen scheen te gelden: hoe groter, hoe mooier, veel is lekker, knaken kunnen niet bommen en verder zoveel mogelijk heiligenbeelden van gips met felle glanzende kleuren, liefst uit industriële mallen.

 De wansmaak was vanaf 1853-1900 werkelijk troef in de pastorele suites. De malle enorme bureaus midden in de kamers. Overal wanstaltig grote gipsen heiligenbeelden en een enorme met bloedovertogen crucifix.  De asbakstandaarden en de enorme buffetten met drankgerief. De galerij van gestandaardiseerde Bijbelse voorstellingen in olieverf aan de muren, en massa te bestellen bij de kerkelijke kunstenaars. De paraplubak met ingelegde sigarenbandjes in de vestibules.  En de oogpijnigende producten van huisnijverheid van de zorgzame moeders van de eenzame kapelaan, doorgaans op gespannen voet met de residerende pastoor die de ganse benedenverdieping van de pastorie geclaimd had.

De afbraakaandriften

De seminarie-opleiding wás er dan ook naar. De Stuers had Van Lieshout bij een inspectie geducht de wacht aangezegd: hij moest van de middeleeuwse kerk voorlopig afblijven. Er zou een expert komen om de romaanse onderbouw van het schip te bekijken. Want De Stuers wist dat Van Lieshout de hele boel wilde slopen en iets verderop een neogotisch wangedrocht met flink veel inwendige polychromatuur met santenkraam doen bouwen. De parochianen hadden bij De Stuers al hun wrevel doen blijken. Die hij deelde.

De Stuers en Cuypers
Victor de Stuers en Pierre Cuyper (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed via Wikimedia Commons).

Maar de pastoor had tóch de moker in de oude kerk doen neerdalen. Nu had Victor zijn vriend Piet Cuypers, als architect in deze jaren buitengewoon in trek, juist daarom ook naar Strijp gestuurd. Want dat kerkje dáár obsedeerde hem evenzeer. Vooral dat losstaande luidhuis met die bronzen klokken. Die combi, die sprak hem aan, en vooral die eigenaardige steen in het zuidertransept. Cuypers had daarom de dorpspastoor Petrus Maas gezegd dat hij ambtsberichten inwon bij Binnenlandse Zaken. Voorlopig mocht er bouwkundig niets gebeuren.

Cuypers meende ook op het kerkhof merkwaardige Taxandrische insignia waar te nemen zoals hij die óók had gezien in de westelijke muur van de pandgang in het klooster “Mariënhage” te Eindhoven. Nu waren pastoors destijds, eenmaal eerzaam regerend, bijna soeverein in hun beheersdaden. Had de bisschop ze benoemd, dan kon hij nauwelijks iets tegen ze ondernemen. Deed hij dat wel, dan baarde dat enorm opzien. En dat konden de bisschoppen landelijk niet gebruiken: het katholieke volksdeel was er te instabiel, te kwetsbaar en te weinig doorlegd voor. Ze genoot vaak nauwelijks goed lager onderwijs. Want er was wel een goede Openbare Lagere School voorzien bij de wet-Van der Brugghen in 1858. Maar die was onbetaalbaar voor de volksklasse die nog jaren aangewezen zou blijven op de schooltjes voorzien bij de Onderwijswet-Van der Palm van 1806.

De betere onderwijsvoorzieningen in de katholieke lagere scholen

Het eerste wat de bisschoppen wilden, was een goede regeling voor het katholiek lager onderwijs dat ook subsidiabel zou moeten zijn, mits de leerkrachten maar de vereiste diploma’s hadden. En het schoolgebouw zou ook moeten voldoen naan nader te stellen eisen, te controleren door de onderwijsinspectie. In Strijp was er zoiets niet. En het was aan de pastoor om te zorgen dat dat anders werd. Daar moest een katholieke lagere school komen, voorzien van behoorlijke sanitaire voorzieningen, het modernere leermateriaal en goed ventileerbare en verwarmbare lokaliteiten. De pastoor moest zien dat te realiseren, op hope van later te innen subsidies van rijkswege.

Dan moest hij géén heibel hebben met Den Haag. Nu had Cuypers aan Maas al gemerkt, dat die wat schutterig en verlegen was met die steen. Die merkwaardige zandstenen voorstelling waaraan door de eeuwen heen veel aan geprutst was. Het léék een Calvarie-voorstelling. Maar het was vast een Romeinse offersteen, waaraan door de eeuwen duchtig gedokterd was. Cuypers wist het best: pastoors probeerden er een christelijke voorstelling van te maken, een Stabat Mater-tafereel, een wenende Maria staande onder het kruis, het hart doorwond, opziend naar haar Zoon die daar te sterven hing.

Simulatie offersteen
Digitale simulatie met de voor christelijke devotie verbeitelde offersteen (bron: Bewonersgroep KerckeWoud, Strijp).

Hij had er ervaring mee. Hij waarschuwde Maas dat er nog inspectie op locatie zou komen. Inmiddels moest Maas overal van af blijven. Ook binnen dat kerkje waar Cuypers een doopvont had zien staan in donker arduin met pre-christelijke motieven en ornamentaties. Poten thuis, was het parool. Cuypers wist te goed wat voor vernielers die nieuwe pastoors konden zijn. Ze hadden geen beschaving. Dat was het. Dit Strijpse kerkje was een pracht object voor de geschiedschrijving om de continuïteit van de roomse levensbeschouwing in de Lage landen aan te tonen. Thijm zou er blij mee zijn, als Cuypers dát kon uittekenen of zelfs doen fotograferen per daguerreotypie-techniek. Maar zo’n fotograaf was niet in de buurt. Geduld dus. Cuypers zou zorgen dat een lithografie beschikbaar kwam. Voor het prachtboek. Dat ten Vaticane opzien baren zou. Calligrafen waren al met pompeuze schutbladen bezig en overladen illustraties.

Lees hier verder in Oud Strijp (19): Herlevend Strijp.

Ga hier terug naar Oud Strijp (17): Strijpse emancipatie.

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.