De achttiende eeuw wordt in West-Europa overwoekerd door allerlei rechtsfilosofische en staatkundige idealen die maatschappelijk voor omwentelingen zorgen.

Ideologische koortsdromen blijven buiten het Genderdal
Deze revoltes brengen weer bloedbaden mee, want revoluties vreten hun eigen kinderen op, ongeacht de spierkrachtelijke samentrekkingen die hun baring vereiste. Theorieën als die van de volkssoevereiniteit, de idee van een nieuw maatschappelijk contract, de staat als het perfecte gezagsorgaan dat absolute rechtsmacht moet hebben, ze laten de gezellige moerasdelta der Lage Landen niet onberoerd, al blijft Holland zelf een grootgrutterij met kribbige kruideniers die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Want de Lage Landen kennen nooit meerderheidsovertuigingen. Dus ook geen massale woelingen, zoals de Franse Revolutie, de Habsburgse Restauratie, of het Britse Jingoïsme dat wil dat Brittannia de baren regeert.
De Strijpenaren spelen natuurlijk zelf geen rol in de wereldgebeurtenissen, maar deze hebben wel degelijk op hen vat, zij het vertraagd en zij het vaag. Maar onmiskenbaar. De Vrede van Utrecht 1713 bevestigt dat de Republiek definitief geen grote Mogendheid meer is en ook dat de tijd van de echte godsdienstconflicten in religieuze zin in westelijk Europa voorbij is. Maar daarvoor in de plaats komt de strijd om die barrevoetse ideologieën in staatkundige zin: wat is eigenlijk de grondslag van de volkerengemeenschap en waartoe dienen staten? Waarom hebben mensen eigenlijk deze organisaties doen ontstaan? Want het zijn geen natuurverschijnselen waaraan de mensheid onderworpen is. Er komt een vage theorie op over een Volonté Géneral. Een algemene volkswil waarmede de staatsinrichting minstens moet corresponderen.
De bevolkingsregistraties
Maar daar hebben de Strijpenaren zelf weinig weet van. Ze willen mulkepap met onderroome en dagelijks roggebrood en dat blijft tot 1850 zo. De meeste Strijpers lopen in de bedeling. Dat blijkt uit de inventarisaties van de bevolking en haar stratificaties. Er is een pastoor, zekere Botti en die legt nauwkeurig verslag daarvan, op verzoek van iets wat zich de Bataafsche Republiek noemt. Hij zet de Stripers in al hun deerniswekkendheid voor ons neer. In 1789 geeft hij op dat hij 675 communicanten heeft kunnen registreren die inderdaad met Pasen een hostie hebben kunnen komen ophalen.
Er zijn 875 zielen in zijn geloofsgemeenschap, die onderstand vragen. Maar er zijn daarbij veel illegalen, die van elders komend, wel stoffelijke steun willen, maar geen notatie in de kerkelijke registers, zelfs niet als heidenen. Ze vragen aalmoezen. Ze werken buiten Strijp. 150 ervan zijn seizoensarbeiders die buiten Strijp daggelden trekken voor handarbeid of oogstactiviteiten te velde. In Strijp komen ze niet aan de bak. Maar terugkomen, dat doen ze wel, omdat de liefdadigheid in dit dal trekt. Men kan ze daarom Strijpers noemen.
Zelf hebben ze Strijp niet gewild of opgericht: als ze dat hadden gedaan, hadden ze het niet neergelegd in dat ellendige beekdal dat maar blijft overstromen en dat door muskieten en kraaien zomers overweldigd wordt. Waar ze wel weet van hebben, is dat Holland in zijn schulp kruipt omdat er in de zuidelijke streken iets broeit: in Frankrijk natuurlijk, want daar is het nooit stil en in de Oostenrijkse Nederlanden, het gebied dat ook wel België genoemd wordt.

De Brabantse Revolutie
Daar willen de mensen niet veel weten van de Weense overheersing, omdat er daar een keizer – Joseph II — aan het roer komt die het hele staatsapparaat overhoop gooit via een strikt rationele centralisatie. Die herschikking beoogt een einde te maken aan de gewestelijke bestuursinrichting, die aan elkaar hangt van roomse tradities uit de middeleeuwen, die organisch gegroeid zijn maar die enorm gericht zijn op de suprematie van de kerkelijke, roomse, overheden op ieder terrein: de armenzorg, het bedrijfsleven, de rechtspraak, het onderwijs, de volksgezondheid en de politionele ordehandhaving.
De oorspronkelijke gewesten in het Oostenrijkse bestel – Vlaanderen, Brabant, Limburg, Henegouwen, Namen en Luxemburg — hebben daarin ieder een eigen constitutie, waarin de ambtelijke hiërarchieën verschillen. De bisschoppen hebben allemaal een ander onderwijsmodel. Maar ook een eigen bejaarden- en charitatieve zorg. De hoofdambtenaren zijn priesters; Monseigneurs vaak, prelaten en kanunniken. Die beheersen bijvoorbeeld het middelbaar onderwijs, maar voorzien ook in rechtspleging over heksen, tovenaars, magiërs, kwakzalvers en exorcisten. Het volksgeloof in deze specialisten is onuitroeibaar.
Het Brabantse volksvesperale
Het volksvesperale kent speciale bezweringen en liturgische rituelen in deze sector: de misboekjes, missaaltjes, door de abdijen vervaardigd en verspreid houden die in stand. Dat van Afflighem spant de kroon. Daaraan wil Wenen een eind maken. Het voert uniformerende wetgeving daartoe in. Wenen wil supervisie over de seminaries, instellingen van middelbaar onderwijs en vooral de universiteit van Leuven. Die moet ontdaan worden van roomse mystiek. Dat neemt de bevolking niet. Het komt zelfs in opstand: de Brabantse Revolutie van 1791, waarbij beoogd wordt te komen tot een Verenigde Staten van België of Verenigde Nederlandse Staten (1790). Waartoe ook noordelijk Brabant moet gaan behoren. Dus Strijp óók.

Maar dáár zijn ze juist gek op deze roomse folklores. Die werken goed tegen de heksen en spoken en tegen de Woenselse dwaallichten. Die bewijzen dat zondige zielen blijven rondflakkeren. Je hebt je ogen toch in je hoofd? Waar of niet? Vooral rondom het kerkhofje dat je in de avonduren huiverend passeert, want die lichtjes zie je dan kransgewijs daarom heen zweven. Dat het hier tot ontvlamming geraakte gasbellen geldt, afkomstig de graven, waar de lijkgiffen zich tot ontbrandingen verbinden met het zure Genderwater dat doorsijpelt in de grachten rondom de gemeyne weide, dat is een sprookje. Dat gelooft geen verstandig mens. Die ziet die spoken toch? Evenmin dat hetzelfde geldt voor de lichtjes die aan komen zweven over de heidevelden die met die grachtjes communiceren. Die dwaallichtjes proberen je de Strijper moerassen in te lokken. Zodat de duivels je ziel te pakken krijgen! Zelf echt gezien en gehoord.
De Brabantse demonologie
In Leuven hebben ze academisch bewezen dat zielen zich met demonen verenigen. Ze hebben daarover catalogi met soorten kunnen opstellen na intensief veldonderzoek, dat veel weg heeft van het soort sociale psychologie dat later aan de Universiteit van Tilburg wordt ontwikkeld onder de letterlijk bezielende leiding van zekere Diederik Stapel; Roos Vonk van de Katholieke Universiteit Nijmegen heeft de wetenschappelijke validiteit daarvan uitgebreid kunnen objectiveren via empirisch veldonderzoek.
Precies zoals pater Van Neynatten en professor Martinus Del Rio dat ook sedert de middeleeuwen hebben gedaan in hun handboeken van de demonologie waarin men de verschillende types van deze wezens en schijngestaltes zelfs systematisch heeft kunnen onderbrengen in hiërarchische categorieën. Befaamd is vooral Delrio’s “Magische Onderzoekingen” (Disquisitiones Magicae) gepubliceerd te Leuven in 1599-1600. Dat handboek is in de zuidelijke Nederlanden bijzonder gezaghebbend. Nederlandse studenten brengen het mee terug als ze hun priesteropleiding te Leuven hebben voltooid met een licentiaat.
In Brabant, op de pastorieën prijkt het ook in de achttiende eeuw stukgelezen met grote ezelsoren waar het spannend wordt, vooral voor wat betreft de verrassend schone heksen, zoals die van Endor die Saul weet te bezweren en hem overhaalt tot een heilloos verzet tegen de Filistijnen, de heidenen. Vlaamse volksschilders zetten deze heks neer als een bloedmooie vrouw en die plaatjes mogen, omdat ze uit de Openbaring tappen, wél op de pastorieën in dit tijdsgewricht. Dat prikkelt de fantasie van de celibatair en dat doet de Bijbel bijna nooit.

Daarom weten de Strijpenaren gerust wel beter dan die Oostenrijkse nieuwlichters in België. Ze hebben dan ook veel priesterzonen in Leuven, die hun werkdadig spiritueel leven vruchtbaar voltooien onder de kinderen van Gods volk. Maar soms komen opgewonden lieden door het beekdal en die proberen een Strijpenaar wat wijs te maken. Maar die is wel wijzer.
In 1789 begint de woeling die wij “Franse Revolutie” zijn gaan noemen. Die omwenteling kreeg die benaming véél later pas, uiteraard buiten Frankrijk. De opstandige volksklasse en de mindere burgerij in Frankrijk zelf vonden helemáál niet dat ze revolteerden: ze kwamen alleen hun goede koning Bourbon-Capet te hulp die maar geen adequate voeling kon krijgen met zijn hongerende miljoenen-populatie.
Een aanslag op de grondwettige regeringsvorm zouden ze vol afschuw verworpen hebben en op een representatieve democratie zaten zij allerminst te wachten. Daarvoor moet je goed kunnen lezen en schrijven. Verder moet je ook weten wat je doeleinden zouden moeten zijn, waarbij een haalbaarheidstoets onontbeerlijk is. Daarvoor is bovenregionale partijvorming noodzakelijk en daarvoor is alweer de vaardigheid van alfabetisme vereist - en die was in de bredere volkslagen hier en in Frankrijk afwezig.
Maar dan komt er van een participatiesamenleving niets terecht. In de zuidelijke Nederlanden was de staatkundige vorming onder de middenstand veel verder gevorderd en dáár daalde de revolutiestemming beter in. Dat deelde zich mee, en marge, aan heel Kempenland. Maar ze bereikte Strijp niet in deze vóórfase. Ze drong in dat beekdal van de Gender en de overlaten van dien pas door toen het gerucht zich daarop deed dat ook in Den Haag de bordjes definitief verzet waren. Daar zou iets als een volksvertegenwoordiging komen, die een grondwet, een staatsregeling zou gaan opstellen. In dat nieuwe bestel zouden Brabo’s ook mogen meedoen. Strijpenaren, ter Eindhovens markt getreden voor een stuk textiel van bombazijn, een ijzeren gereedschap en een geit, kwamen er mee thuis, niet eens opgewonden. Het zou weer wel wat zijn, het zou niet duren.
Egodocumenten
Nu is de periode van 1785-1800 voor het eerst ook de tijd van egodocumenten in dit Kempenland. De individuele persoon uit hogere middenklasse kan schrijven, de betere weet zelfs in brieven emoties te verwoorden op hoogst individuele basis. Hij is verontwaardigd. Hij vreest de naaste toekomst. Hij is optimistisch. Hij heeft verdriet. Hij is radeloos. Hij vindt dat de wereld op haar eind loopt. Hij heeft over alles een oordeel. Hij raadt zijn naaste vrienden, moeien of magen zich vooral niet te moeien in staatshuishoudelijke gedachtewisselingen die op marktdag opbloeien.
Er is een gangmaker in Eindhoven, een zekere Jan van Hooff en die komt op voor rechten van iedere burger. Vrijheid van gedachten, van drukpers, van inspraak, van geweten. Strijp heeft nu een herder, pastoor Matthias Botti. Die heeft in Leuven gestudeerd, waar hij het gebracht heeft tot een canoniek licentiaat. Hij is welvarend, goede familie.
De aartspriester van de Kempenlandse regio heeft hem openlijk plechtig ingehaald, met de hoge beflosde bonnet op de openbare weg statig op het hoofd. Bij de open staldeuren van zijn bedehuis, dat zelfs een klokkentorentje heeft met schril kleppend klokje, is hij plechtig ingehuldigd in 1788. Namens de Apostolisch Vicaris is hij door de burgemeester verwelkomd, de kerkmeesters hebben hem de sleutels doen aanbieden door een bruidje, dat hem ze aanbood op een veloeren kussen.

Botti wil geen Geuzenkerk terug
Dat hoeft allemaal niet stiekem. Ook al wil dominee het niet hebben. Botti is geïnstalleerd in de kerk met plechtige muziek van zwaar koper. Botti is notabel en niet in het geniep en die schrijft dat soort bewogen brieven aan zijn zus in Stratum waar zij de huishouding voert voor een “Edele Heer”. Botti zit hoofdschuddend op zijn pastorie in ’t Ven bij zijn schuurkerk die best floreert. Matthias Botti wil rustig en welgedaan als de geruste landman zijn dagen tellen. Hij is, ook als parochieherder, angstig en afwachtend. Het is er verre van dat Botti echt zijn gelovigen vóórgaat. Later suggereren Thijm en consorten wel dat de priesters in deze periode hun gelovigen op stuwden in de vaart der volkeren. Maar dat is niet waar. De priesters keken wel uit. Ze waren tegen politieke clubs onder hun gelovigen. Die waren er wel, maar buiten de pastoors om.
Er zijn daaronder fanatiekelingen, die de ouwe, verzakte en verspochte dorpskerk, ook wel Geuzenkerk genoemd, absoluut willen terughebben, omdat dat in een Staatsregeling schijnt te staan. De regeling die in 1798 door een volksvertegenwoordiging is aangenomen, wel, dat zij erkend, na drie staatsgrepen. Daarin staat, dat de meerderheid van godsdienstigen, een aanspraak mag maken op het bedehuis dat in een gemeente staat. Het kerkgebouw.
Op een soort terp staat in Strijp zo’n stenen kerk, vlak bij het centrale luidhuis en de brandkuil. Genoemde fanatiekelingen eisen die kerk, die uit de middeleeuwen schijnt te stammen, nu terug en op. Dat bevalt Botti niets. Dat gaat heibel geven. Het valt op. En het gaat geld kosten. Terwijl de stripers geen nagel hebben om hun kont te krabben. Botti weet dat zijn ambtelijke baas, Apostolisch Vicaris van Alphen, wil dat de katholieken zich gedeisd houden. Hij schreef dat in een rondzendbrief, die Botti heeft uitgespeld en uit zijn hoofd geleerd.
Van Alphen instrueert: houd je op de achtergrond
Van Alphen zegt: nu heeft die volksvertegenwoordiging in Den Haag een grote mond. Maar dat gaat niet duren. Er komt oorlog, dat zal je zien. Dus hou je stil. Laat niet blijken dat je wellicht geld hebt om die teruggave te financieren en vraag in Den Haag geen subsidies aan voor het herstel van de Geuzenkerk. Daarin verschilt het geestelijk gezag significant van de priesters die ná 1860 komen opzetten onder de al genoemde Zwijsen.
De mannen van Thijm die inderdaad na 1920 de landspolitiek gaan beheersen. Die willen juist opvallen en aan de weg timmeren. Die willen politieke actie en zijn tot provocaties genegen. Maar Botti voorziet nog hinderlijke problemen met de protestanten uit Eindhoven. Daar is hij bang van; dat moet tot iedere prijs vermeden worden. Zijn kudde wast in tal en in last. Dat óók.
Het zijn doorgaans brave mensen, al zitten er natuurlijk deugnieten bij. Er zijn heksen, maar die houden zich doorgaans gedeisd. Landlopers zijn er vanzelfsprekend, want nog altijd krukken er Fransoze invaliden rond door de streek, die achter gelaten zijn door expeditionaire brigades uit vervlogen tijden sedert de Brabantse revolte, waarover hierboven. Deze bejaarde krijgslieden doen geen kwaad. Ze jatten weleens eieren, ze nekken een duifje, ze braden soms een kippetje als ze met méér zijn.

De bevolking accommodeert in soberheid
Maar ze helpen toch ook met oogsten, tasten en mest uitrijden. De kerk geeft ze onderstand. Niet veel, maar een Christenmens laat ze niet doodvriezen. Soms, met Strijper kermis, drinken ze een stuk in hun verluisde kraag. Dan worden ze bij elkaar gekruid onder de klokkenstoel, een zeil er overheen, ’s anderendaags strompelen ze weg. Er zijn vagabonden met wapens, die stelen weleens wat. Maar dan is er de burgerwacht, de schutse. Die ramt erop. Die sleurt ze de gemeente uit en laat ze voor dood achter. Maar onkruid vergaat niet. Moord komt eigenlijk niet voor. Mishandeling in huis wel.
Huwelijksproblemen brengen dat soort uitbarstingen mee. Ouders die inwonen, krijgen ook een schop onder de kont als ze te veel in de herd rondkrassen. Ze moeten blijven werken tot hun stervensstonde en daarover wordt veel gemord, ook op de gemeyne weide waar de ouden in de avondstilte samendrommen. Het zal wel duren. Het wijst op gezapige mindere welstand. Rogge, die zure onderroome, soms uitgebakken spek. Revolutie, oordeelt Botti, kunnen we niet hebben hier. Gelukkig is de jeugd weinig tijd gegund om heibel te zoeken. Vijfjarigen worden al uit besteed om de spurrie en plukkem uit te trekken tot over de kom. Tot in Zeelst en zo. Zo moet het blijven. Zo was het in de eeuwen der eeuwen. God liet het toe, God wil het dus, want anders zou het niet zo zijn.
Lees hier verder in Oud Strijp (21): Apostolisch Vicaris Antonius van Alphen.
