Deze 16e-eeuwse Geffenaar van geboorte heeft zichzelf het eeuwige leven gegeven door zijn (aanzienlijke) vermogen in te zetten voor de opleiding van katholieke priesters. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben aankomende priesterstudenten met een beurs van de fundatie Peter van Grinsven in Leuven kunnen studeren.

Peter was de jongste zoon uit het huwelijk van Eijmbert Peters van Grinsven en Hillegond Peter Broessen. Zijn grootouders, Peter Eijmberts van Griensvenne en Hillegond Jacob Lauwrijs van Houthuizen kwamen uit Den Dungen.
Na zijn priesterwijding trok Peter van Grinsven naar Leuven om daar aan de universiteit te gaan studeren. Hij promoveerde tot Artium Magister (meester in de vrije kunsten, humaniora) en begon zijn geestelijke carrière als kapelaan in Leuven. Dat was onder pastoor Franciscus van der Velde uit Son, die later onder de naam Sonnius bekend werd als de eerste bisschop van Den Bosch.
In 1561 deelde de paus de bisdommen in de Nederlanden opnieuw in. Het indelingsplan was opgezet door Sonnius, die als beloning voor zijn inspanningen op 10 maart 1561 tot eerste bisschop van 's-Hertogenbosch werd benoemd. Peter van Grinsven, zijn voormalige kapelaan en nu officieel sigillifer (zegelbewaarder) van de bisschop, kreeg de opdracht een geschikte zetelplaats voor de op te richten bisdommen Roermond en Den Bosch voor te bereiden.

Bij de benoeming van Sonnius tot bisschop van Den Bosch in 1561 vestigde ook Peter van Grinsven zich in deze stad. Op 27 mei 1562 werd hij ook kanunnik van de Sint-Jan. Daarnaast bekleedde hij de functie van openbaar notaris in ’s?Hertogenbosch.
Al deze functies bezorgden hem een goed inkomen. Hij besloot zijn grote vermogen te gebruiken om aankomende priesters te gaan ondersteunen. Bij testament stichtte hij 15 studiebeurzen, in de eerste plaats bedoeld voor de eigen familie, en meer in het bijzonder voor de nazaten van zijn oudere broer Peter Eijmbert van Griensven. Voor het geval dat die geen beroep zouden doen op een beurs, had Peter van Grinsven een heel systeem uitgedacht om de beurzen toch toe te kennen.

In tweede instantie kwamen de nazaten van zijn vader Eijmbert Peters van Grinsven en zijn grootouders aan de beurt. Als ook dat niets opleverde, kon het geld gaan naar inwoners van de plaatsen Geffen en Den Dungen. En ten slotte kwamen eventueel personen uit het Maasland, uit Megen of uit Ravenstein in aanmerking voor financiële ondersteuning.
Om een beurs te krijgen moest er ook nog een studieplan geregeld worden, waarbij duidelijk gemaakt werd hoe de hele schoolperiode onder een streng toezicht aan opvoeding en opleiding gewijd zou zijn. Zo’n opleidingstraject liep via de allerlaagste klassen van het beginonderwijs in ’sHertogenbosch tot aan het afstuderen aan de Leuvense Universiteit. De beurs was alleen voor de opleiding tot priester, zoals duidelijk in het testament staat:
”De stichting is voor het opleiden van aanstaande Rooms Katholieke geestelijken, en wie van dat pad afwijkt moet worden afgezet en door een andere student vervangen worden”. De beurzen waren ook een poging van Van Grinsven om een dam op te werpen tegen de opkomende Reformatie, door te investeren in de kennis en kunde van aankomende priesters.
Peter van Grinsven voerde een eigen wapen dat we onder meer kennen van zijn grafzerk in de Sint -Jan. De wapenspreuk “per ardua dulcedo” betekent letterlijk “door de moeilijkheden heen de zoetheid”. Dat lijkt een variant op de wapenspreuk van zijn meerdere, bisschop Sonnius, die in zijn wapen de spreuk “Sine onere nihil” ofwel “niets zonder moeite” voerde. Een hedendaagse variant kennen we als: "eerst het zuur dan het zoet" (maar die komt van een calvinist).



