Onlangs kreeg ik van Willem Kruf een lijst met winkels in Nieuw Borgvliet halverwege de jaren vijftig. Daar staat geen supermarkt met veertig soorten rijst of 15 soorten peperkoek tussen. Simpelweg omdat er in dorpen nog geen supermarkten waren. Je had wel de aan huis bezorging van grootgrutter “de Gruyter”. Maar daarover later.

In de huizen waren ook geen koelkasten en diepvriezers. Gemeenschappelijke diepvrieshuizen kwamen pas in de jaren ’60. Ik weet niet of er in Nieuw Borgvliet zo’n diepvrieshuis was waar je een lade kon huren. Als die er was, dan hebben mijn ouders daar geen gebruik van gemaakt.
Vanaf de zomer waren de mensen al druk met de voorbereiding op de winter. Voor een verhaal als dit is het te veel om op te sommen wat de mensen zoal deden. Daarom wat aparte zaken. In het keldergat hing stokvis aan touwtjes. Stokvis is gedroogde kabeljauw uit Noorwegen. Het was nog een toer om de vis weer eetbaar te krijgen.
Aardappelkuil
In de achtertuin zaten de konijnen in hun hok geduldig te wachten tot ze de kersttafel mochten sieren. Er werd in de achtertuin ook een wintervoorraad aardappels gekuild. Omdat de muizen zo’n aardappelkuil ook een aangename plaats vonden, werden de aardappels later in de kelder bewaard. Dat was toen er een poeder tegen het schieten van de aardappels beschikbaar kwam.
In de woonkamer hingen in een hoek haken aan het plafond. Als het varken geslacht was, werden de boerenmetworsten aan een stok geregen en aan die plafondhaken opgehangen om te drogen. Op de slaapkamer van de jongens stonden dozen met gedroogde appeltjes en pruimen. Die appels en pruimen werden schoongemaakt en ’s morgens naar de bakker gebracht. De bakker legde het fruit op zijn ovens. En dan kon je ze ’s avonds gedroogd ophalen. Er stond ook een kist met stoofperen op de jongenskamer.
Nog iets wat je niet meer ziet. De potten jam in de keukenkast waren afgedekt met parafine. Een zorgvuldig werkje. Bij te weinig parafine ging de jam schimmelen. Bij een te dikke laag had je moeite die er weer af te krijgen.
Snoepje van de week
Wij kregen één keer per week een snoepje. De ouderen onder ons roepen dan meteen “het snoepje van de week (opent in een nieuw tabblad)” van grootgrutter “de Gruyter (opent in een nieuw tabblad)”. ‘Het snoepje van de week’ was wat snoepgoed met een klein knutselwerkje. Met Sint Maarten (11 – 11) werden er pepernoten gestrooid. Met Sinterklaas kregen we een stuk marsepein. En maakte mijn moeder borstplaat. Als het kermis was, kregen we zakgeld mee met het dringende advies: “koop er maar snoep voor in plaats van het uit te geven aan flauwekul”.
Viel er dan verder niets te snoepen? Jawel. En het was nog lekker ook. Van een schijf winterwortel werd eerst de buitenkant opgegeten, zodat je het lekkerste – de oranje gele kern – overhield. Op een reepje stokvis kon je eindeloos kauwen. Met een paar gedroogde appelpartjes kon je ook lekker lang doen. De gedroogde pruimen lieten we meestal links liggen, want waar moest je de pitten laten zonder dat er gemerkt werd dat je in de doos had zitten graaien. En probeer het maar: een rauwe spruit is heerlijk.
Op een winterse ochtend had mijn broer hevige buikpijn. Iets verkeerds gegeten ? Een blindedarmontsteking? ’s Middags bij het schoonmaken van de jongensslaapkamer ontdekte mijn moeder de reden: er lagen 14 klokhuizen van stoofperen onder het bed.

Maar het kon nog bonter. Ome Kees en tante Janeke van de Zuid Oost Singel in Bergen op Zoom hadden vier zonen, die over knorrende magen beschikten. Toen tante Janeke zich afvroeg of de boerenmetworsten al droog waren, werd het huishoudtrapje er bij gehaald om te kijken hoe het er met de worsten voor stond.
Er hingen alleen nog maar kuierstokjes.
De achterkanten waren al in de magen van hun brave zoons verdwenen.


