Méér overvallen op bevolkingsregisters, vaker brandbommen in bioscopen en ook spoorrails die worden opgeblazen. In 1943 groeit het verzet tegen de Duitse bezetting aanzienlijk maar de represaillemaatregelen gaan in gelijke tred mee. “Eén man op de 10; één vrouw op de 50, en één kind op de 100 worden doodgeschoten, eventueel verhangen op de Markt.”

“De sabotagedaden nemen in den laatsten tijd toe”, schrijft L.H. de Folter, hoofd van plaatselijke politie op 25 januari 1943 in Veghel. Een kwalijke zaak, vindt hij, want het zal “uiteindelijk slechts schade toebrengen aan het Nederlandsche volk. Immers zal de bezettende macht zich tegen dergelijke aanslagen op de openbare orde en veiligheid met kracht te weer stellen. Zij zal er niet voor terugdeinzen voor het opleggen van zoengelden en andere straf- en dwangmaatregelen of zelfs door het verantwoordelijk stellen van gijzelaars op het Nederlandsche volk zelve verhaal te zoeken.”
En daarom wordt een Bewakingsdienst tegen sabotage ingesteld. De Folter roept mannelijke inwoners op zich aan te melden ‘voor het verrichten van diensten ter bescherming van gevaar loopende objecten’. Voor elk uur ‘werkelijke dienst’ wordt vijftig cent uitbetaald. Als er niet genoeg aanmeldingen zijn, dan zal ‘den Bevelhebber der Duitsche Weermacht personen aanwijzen’.
Bladerend door het archief van de gemeentebestuur Veghel over het jaar 1943 voel je met iedere maand die verstrijkt de spanning toenemen. In januari wordt nog een lijst opgesteld van locaties die extra gevoelig zijn voor sabotage zoals de CHV en de bevolkingsregisters. Maar extra bewaking is dan nog niet nodig, wordt ingeschat.
Een paar maanden later, in mei van dat jaar, noteert de Gewestelijk Politie-President dat er opnieuw enkele aanslagen hebben plaatsgevonden: “In het vervolg zullen – ingeval van nieuwe aanslagen waarbij registers verloren gaan – de manschappen die met bewaking waren belast, wegens plichtsverzuim voor het SS- und Polizeigericht worden gedaagd.”
Ondanks de toenemende oorlogsdreiging stijgt uit de archieven de geur op van een kruideniersmentaliteit. Want hoe zit het met de vergoeding en de sociale lasten voor mensen die werken voor de bewakingsdienst? En moet het niet 75 cent zijn in plaats van 50 cent? In juli besluit de waarnemend burgemeester dat bewakers op zaterdagmorgen hun loon kunnen ophalen in het kantoor van de gemeente-ontvanger.
Van gummistok naar schietklaar
Op 22 juli 1943 constateert de gewestelijke politiecommandeur dat personeel dat objecten moet bewaken tegen sabotage meer bewapening moet krijgen. Geen vuurwapens maar – ter zelfverdediging – gummistokken en steekwapens. Vier maanden, 30 november, volgt er een hardere maatregel tegen overvallen. Politiepersoneel moet te allen tijde hun vuurwapen schietklaar hebben en bij eventuele overvallen niet te lang wachten maar ‘onmiddellijk raak schieten’. Een ruime week later, op 7 december 1943, valt er een nieuw schrijven op de mat. Geconstateerd wordt dat de bescherming van bevolkingsregisters op gebrekkige wijze is geregeld, en dat er niet voldoende maatregelen worden genomen. Dat moet onmiddellijk worden geregeld.
Ondanks het aandringen op meer en hardere maatregelen gaat het werk van het verzet onverminderd voort. Een jaar later, wordt in de nacht van 8 op 9 september in het baanvak Schijndel-Veghel een spoorrail opgeblazen. Het maakt de bezetter razend. Daarom moeten er vanaf dan iedere nacht 20 burgers met 1 politieman het baanvak bewaken. Aan de burgemeester de taak de lijst op te stellen van de mensen die dat moeten gaan doen: ‘tusschen 25 en 35 jaar, op de eerste plaats de rijkste en aanzienlijkste burgers’. Gaat het dan opnieuw mis, dan wordt gedreigd met harde straffen: één man op de 10 wordt neergeschoten en één vrouw op de 50, of eventueel verhangen op de Markt. En mocht dat niet genoeg zijn, dan wordt één kind op de 100 doodgeschoten.
Bron:
Toegangsnummer 7699 Inventarisnummer 25, 26
Steeds meer stukken in te zien
Vanaf 1 januari 2025 zijn nieuwe archieven in te zien want na 75 jaar vervalt voor veel dossiers de beperking van openbaarheid. De Archiefwet 1995 bepaalt dat documenten van overheidsinstellingen na twintig jaar worden overgedragen aan het historisch archief. Ruim 95 procent van de overgedragen stukken is direct in te zien. Voor de rest geldt een beperking op de openbaarheid, meestal omwille van de privacy van nog levende personen. Over particuliere archieven maakt het BHIC speciale afspraken met de schenkers. De beperkingen gelden altijd voor een van tevoren vastgestelde periode. En daarom worden er jaarlijks nieuwe archieven openbaar.

